Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nietis aan te merken als een beperking in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Pro Bopz. Voor zover de rechtbank zou hebben geoordeeld dat bepaalde huisregels, zoals hier de toegang tot de binnentuin, tevens voor therapeutische doeleinden kunnen worden ingezet, dan getuigt dat volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Betoogd wordt dat de rechtbank op zijn minst had moeten uitleggen hoe het algemene karakter van de betreffende huisregel, “die toen alleen beoogde de ordelijke gang van zaken te reguleren”, zich verdroeg met het therapeutisch karakter in het individuele geval.
schriftelijk overzichtvan de in het ziekenhuis geldende huisregels alsmede van de op grond van deze wet aan de patiënt toekomende rechten. Het derde lid bepaalt dat de voor de behandeling verantwoordelijke persoon zorg draagt dat de patiënt een mondelinge toelichting terzake ontvangt. Art. 37 lid 4 Wet Pro Bopz bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gegeven met betrekking tot het in lid 1 bepaalde en dat daartoe in elk geval eisen behoren waaraan (onder meer) de in dat lid bedoelde huisregels ten minste moeten voldoen.
Informatieverschaffing en huisregels
Rechtspositie patiënt op grond van de Wet Bopz
privilegeis waartoe op individuele basis wordt besloten en dat betrokkene door de intrekking van de pas niet in de algemene, voor iedere bewoner/patiënt geldende algemene bewegingsvrijheid in de binnentuin - 1 uur per dag (in het weekend 2 uur per dag) als er toezicht is - wordt beperkt.
feitenvastgesteld (i) dat de bewoners van afdeling Volte lc één uur per dag (in de weekenden twee uur per dag) gebruik mogen maken van de binnentuin wanneer er toezicht is, en (ii) dat dit ook voor betrokkene geldt. Deze vaststelling wordt in cassatie niet bestreden. In de hiervoor in 2.8 weergegeven beschikking van 9 november 2018 heeft Uw Raad, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, overwogen dat huisregels uitsluitend de ordelijke gang van zaken binnen de instelling dienen en
algemeen geldende beperkingenbevatten. Daarbij wordt onder meer genoemd “bewegingsvrijheid”. De behandelaar heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat
allebewoners gebruik kunnen maken van de binnentuin als er toezicht is (algemene vrijheid) en dat er aparte tijden (met toezicht) gelden voor elk bouwdeel. [23] Deze stelling is niet betwist. In het licht van het bovenstaande meen ik dat, ook indien moet worden aangenomen dat de op papier gestelde (en naar ik aanneem: ook verstrekte) huisregels van De Woenselse Poort
nietsbepalen over de toegang van bewoners tot de binnentuin, op goede gronden zou kunnen worden betoogd dat de algemeen getroffen maatregel met betrekking tot de toegang tot de binnentuin, hiervoor weergegeven, eveneens als een huisregel heeft te gelden. Het betreft een regel met betrekking tot de ordelijke gang van zaken binnen de instelling en bevat
algemeen geldende beperkingen.Niet betwist wordt dat betrokkene conform deze regel in ieder geval toegang had tot de binnentuin. Over het gebruik van de tuinpas waardoor er ruimer gebruik kan worden gemaakt van de binnentuin bestaan twee schriftelijke protocollen, waarvan het protocol “Uitleg aan cliënten over privileges om vrij in de binnentuin van Woensel te kunnen bewegen” uitgebreid de regeling weergeeft. In zoverre is aan het schriftelijkheidsvereiste tegemoet gekomen.
daadwerkelijkaan betrokkene kenbaar is gemaakt. Het onderdeel leidt uit de inhoud van de overgelegde zorgovereenkomst van 3 mei 2018 [24] af dat betrokkene op 13 september 2017 in de instelling is opgenomen en dat uit de omschrijving van een deel van het daarin opgenomen zorgplandoel [25] blijkt dat betrokkene (eerst)
op 3 mei 2018op de hoogte was van het op
hemtoegepaste beleid met betrekking tot het gebruik van de binnentuin. Dat betrokkene reeds vanaf zijn binnenkomst op 13 september 2017 op de hoogte was van dat beleid vindt volgens het onderdeel geen steun uit de inhoud van de zorgovereenkomst.
nietaangevoerd dat hij bij binnenkomst in de instelling niet op de hoogte is gesteld van de regel in kwestie. Hij heeft in de procedure bij de rechtbank evenmin aangevoerd dat hij op enig moment gedurende zijn opname aldus beperkt is in de toegang tot de binnentuin dat die toegang korter was dan 1 uur per dag (en in het weekend 2 uur per dag). Naar mijn mening kan derhalve worden aangenomen dat op de momenten dat de bewoners van afdeling Volte 1c gebruik konden maken van de binnentuin, betrokkene daarvan
nooitwas uitgezonderd en dat hij dan ook tot het moment waarop hij in het bezit is gesteld van een tuinpas bekend was met de genoemde regel. De rechtbank heeft in de op één na laatste alinea van de bestreden beschikking, in cassatie niet bestreden, ook expliciet overwogen dat betrokkene, ook na het intrekken van de tuinpas op 11 oktober 2018, hetzelfde recht op bewegingsvrijheid ten aanzien van de binnentuin heeft behouden als de andere patiënten op de afdeling Volte lc hebben.
altijdonderdeel van het zorgplan is en dat het aspect van de toegang tot de binnentuin in de zorgovereenkomst van betrokkene is terug te vinden “onder zijn individuele zorgdoelen”. Na in punt 1.5 vooropgesteld te hebben dat een zorgplan de therapeutische doelen van de patiënt bevat en huisregels geen therapeutisch doel bevatten doch uitsluitend de ordelijke gang van zaken binnen de instelling regelen, stelt het onderdeel in punt 1.6 dat de zorgovereenkomst, gelet op haar inhoud, “niets anders lijkt te zijn dan een behandelplan als bedoeld in art. 38a Wet Bopz”.
datbetrokkene begin oktober 2018 in het bezit was van een tuinpas. De tuinpas is immers nadien ingetrokken. Hieruit kan worden afgeleid dat betrokkene in ieder geval na 3 mei 2018 voldeed aan de voorwaarden om voor een tuinpas in aanmerking te komen.
beperkingvan het voor alle patiënten geldende (beperkte) recht op toegang tot de binnentuin in het geval van betrokkene geen sprake is geweest. Van een individueel opgelegde beperking in het recht op bewegingsvrijheid
overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels(art. 40 lid 3 Wet Pro Bopz) kan dan ook strikt genomen niet worden gesproken. Het door het onderdeel bestreden oordeel aan het slot van blz. 2 van de bestreden beschikking geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.