Conclusie
middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak betreft het een poging tot doodslag waarbij de verdachte in oktober 2012 vanuit een personenauto meermalen heeft geschoten op de inzittenden van een andere auto in Almere. De Hoge Raad heeft op 19 maart 2019 uitspraak gedaan in het cassatieberoep van de verdachte, die eerder door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren wegens medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld, waarbij mr. J.J.J. van Rijsbergen als advocaat optreedt. Het cassatieberoep is ingesteld met één middel, dat zich richt op de schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De klacht betreft de te late inzending van de stukken door het hof, wat volgens de verdachte heeft geleid tot een overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad overweegt echter dat het cassatieberoep niet ontvankelijk kan worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij cassatie. De Hoge Raad concludeert dat er geen (cassatie)klachten bestaan over de bestreden uitspraak en dat de klacht enkel betrekking heeft op de inzendtermijn. De zaak heeft samenhang met een andere zaak, genummerd 15/03052, waarin ook een conclusie zal worden getrokken.