Conclusie
middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van poging tot doodslag, gepleegd in oktober 2012 in Almere. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld, waarbij de enige klacht betrekking heeft op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vanwege te late inzending van stukken door het hof.
De Hoge Raad overweegt dat een cassatieberoep dat uitsluitend gericht is op een schending van de redelijke termijn zonder dat er inhoudelijke klachten tegen het bestreden arrest worden ingebracht, onvoldoende belang bij cassatie oplevert. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering.
De uitspraak bevestigt de jurisprudentie dat termijnoverschrijding op zichzelf geen grond is voor cassatie als er geen andere klachten tegen de inhoudelijke beslissing bestaan. Tevens wordt verwezen naar eerdere arresten en literatuur ter onderbouwing van deze rechtsopvatting.
De zaak betreft een samenhang met een andere procedure (15/03052), maar ook daarin is eenzelfde conclusie getrokken. De beslissing is genomen tijdens een vervroegde zitting op 19 maart 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij cassatie bij uitsluitend klacht over termijnoverschrijding.