Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Middel 1bestrijdt dit oordeel van het Hof.
middel 2op tegen dat oordeel.
Middel 3bestrijdt dat oordeel.
middel 2slaagt en
middel 3faalt.
2.Welke handeling verricht de Zorggroep voor de heffing van btw (middel 1)?
Newey [16] leid ik af dat de contractuele bepalingen een belangrijke kenbron zijn. Dat ligt mijns inziens ook wel voor de hand, omdat de contractuele bepalingen – kunstmatige constructies daargelaten – weergeven wat partijen hebben afgesproken en inzicht geven in de bedoelingen van partijen. Het HvJ formuleert het wel wat voorzichtig. Het overweegt dat de contractuele bepalingen “een in aanmerking te nemen factor” zijn:
MacDonald Resorts [17] ,
Auto Lease Holland [18] en
Loyalty Management UK en Baxi Group [19] .
zelfstandigeen economische activiteit wordt verricht (zie de onderdelen 2.1 en 2.2), moet worden onderzocht of de Zorggroep alle ketenzorghandelingen
zelfstandigverricht of alleen de coördinatie van de multidisciplinaire zorg. De arresten
Gmina Wroclaw [20] en
Nigl e.a. [21] geven aanwijzingen hoe dit onderzoek moet plaatsvinden.
Gmina Wroclawoverweegt het HvJ dat het begrip ‘belastingplichtige’ ruim wordt gedefinieerd. Niet alleen natuurlijke personen en publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen maar ook entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid kunnen als belastingplichtige worden aangemerkt. [22]
is, maar of die persoon de activiteit zelfstandig
uitoefent.
Gmina Wroclawvolgt ook dat twee of meer personen die gezamenlijk zelfstandig een economische activiteit verrichten, als één belastingplichtige worden aangemerkt. In de nationale rechtspraak was dit al langer gemeengoed. Ik verwijs onder meer naar
HR BNB 1983/76 [23] ,
HR BNB 1991/222 [24] ,
TC BNB 1978/89 [25] en
HR BNB 2014/151 [26] . In
HR BNB 2014/151overweegt de Hoge Raad:
HR BNB 2014/151heeft het HvJ het arrest
Nigl e.a.gewezen. Die zaak betreft drie maatschappen van verschillende leden van de familie Nigl die een wijnbouwbedrijf uitoefenen. De maatschappen treden jegens hun leveranciers, jegens overheidsinstanties en tot op zekere hoogte jegens hun klanten autonoom naar buiten toe, vervaardigen elk een eigen product met gebruik van hoofdzakelijk hun eigen bedrijfsmiddelen, maar brengen hun producten grotendeels onder een gemeenschappelijke merknaam in de handel via een kapitaalvennootschap waarvan de aandelen in handen zijn van de maten van die maatschappen en van andere leden van de betrokken familie. De vraag rees of de maatschappen hun activiteiten zelfstandig verrichten. Het HvJ overweegt onder meer als volgt:
Gmina Wroclaw. Daarin noemt het HvJ de vier elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of een entiteit een economische activiteit zelfstandig verricht. Beoordeeld moet worden of de activiteit (1) in eigen naam, (2) voor eigen rekening en (3) onder eigen verantwoordelijkheid wordt verricht en of (4) zij het aan die activiteit verbonden economische (bedrijfs)risico draagt. Verder verwijst het HvJ naar eerdere rechtspraak waaruit een aantal aanwijzingen kan worden afgeleid dat een economische activiteit zelfstandig wordt verricht, namelijk dat de verrichter van de activiteit:
Nigl e.a.oordeelt het HvJ dat de maatschappen hun activiteiten zelfstandig uitoefenen. Het HvJ overweegt onder meer:
Gmina Wroclaw.In deze zaak over de Poolse gemeente Wroclaw was de vraag aan de orde of gemeentelijke begrotingseenheden, die een onderdeel van de gemeente Wroclaw vormen, de hoedanigheid van belastingplichtige hebben. Het HvJ overweegt onder meer:
Commissie/Nederland [27] , punt 14, en
Ayuntamiento de Sevilla [28] , punt 10). Die bepaling verduidelijkt dat het begrip ‘zelfstandig’ personen van de belastingheffing uitsluit, voor zover die met hun werkgever enige juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids‑ en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.
FCE Bank. In die zaak was onder meer de vraag aan de orde of een bijkantoor in Italië (FCE IT) van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap (FCE Bank) een zelfstandige economische activiteit verricht. Het HvJ beantwoordde deze vraag ontkennend. Het economische bedrijfsrisico van de activiteit (kredietverlening), zoals de niet-terugbetaling van een lening door een klant, berustte volgens het HvJ volledig bij FCE Bank. Het HvJ overweegt (cursivering CE):
met name doordat zij het economische bedrijfsrisico draagt.
TGE Gas Engineering [29] verwijst het HvJ naar zijn eerdere overweging in punt 35 van FCE Bank (cursivering CE):
met name doordat het het economische bedrijfsrisico draagt(arrest van 23 maart 2006, FCE Bank, C‑210/04, EU:C:2006:196, punt 35).”
TGE Gas Engineeringwordt tot uitdrukking gebracht dat voor zelfstandigheid van een bijkantoor nog aanvullende vereisten gelden, te weten de andere drie elementen die het HvJ noemt in
Gmina Wroclawen
Nigl e.a.(zie onderdeel 2.15). Omdat in het geval van FCE Bank aan een van de vier elementen voor zelfstandig handelen niet was voldaan, kon toetsing van de andere elementen achterwege blijven.
b. Onderaannemer
Nigl, punt 32).
Ayuntamiento de Sevilla [32] heeft het HvJ beslist dat voor de beoordeling van de eigen verantwoordelijkheid beslissend is “de aansprakelijkheid van de (…) [verrichter van de activiteit] uit hoofde van de contractuele betrekkingen die zij in de uitoefening van hun werkzaamheden aangaan, alsmede hun aansprakelijkheid voor schade aan derden (…)”.
FCE Bankoordeelde het HvJ dat het bijkantoor niet zelf het economische risico draagt dat verbonden is aan de uitoefening van kredietverlening. Als voorbeeld van dat risico noemt het HvJ de niet-terugbetaling van een lening door een klant.
3.Één (samengestelde) prestatie?
Marcandi. Voorts verwijs ik naar punt 27 van
Bookit [37] :
Neweykunnen de contractuele bepalingen ook bij de beoordeling of sprake is van een of meer prestaties een relevante factor zijn. Ook hier zijn de contractuele bepalingen niet doorslaggevend. Doorslaggevend is de economische en commerciële realiteit van de betrokken handelingen.
Loyalty Management UK en Baxi Group [38] , punt 56, en
Le Rayon d’Or [39] , punt 34). Een dergelijke situatie doet zich hier voor. Als tegenprestatie voor de verrichte zorg ontvangt de medische zorgverlener (door tussenkomst van de Zorggroep) van de zorgverzekeraar een vergoeding. De situatie van dit geval is wat mij betreft te vergelijken met de situatie die zich voordeed in
Le Rayon d’Or. Die zaak betreft de betaling van een forfait door een nationale zorgverzekeraar aan instellingen voor huisvesting van afhankelijke ouderen (IHAO’s). De IHAO’s waren verplicht om als tegenprestatie voor de betaling van het forfait diensten ten behoeve van hun bewoners te verrichten. Het HvJ overweegt onder meer:
.Die zaak handelt over een fabrikant die geneesmiddelen via groothandelaars bezorgt bij apotheken. De producten, die zijn bestemd voor particulier verzekerden, bezorgen de apotheken op grond van individuele overeenkomsten. De particuliere zorgverzekeraar koopt de producten niet zelf, maar vergoedt slechts de door zijn verzekerden gemaakte kosten wanneer zij daarom verzoeken. In dat geval geeft de fabrikant de zorgverzekeraar korting op de geneesmiddelenprijs. Het HvJ oordeelt dat de verzekerden binnen deze verhouding een derdenbetaling verrichten en de zorgverzekeraars de eindverbruikers van de goederenleveringen zijn (cursiveringen CE):
moeten betalingen bij de aankoop van farmaceutische producten immers worden beschouwd als een tegenprestatie die van de zijde van een derde wordt ontvangen in de zin van artikel 73 van Pro de btw-richtlijn wanneer deze derden, te weten de verzekerden, de particuliere zorgverzekeraars om vergoeding hebben verzocht en deze zorgverzekeraars overeenkomstig de nationale wet de korting hebben verkregen die hun door de farmaceutische onderneming verschuldigd is.
Gelet op de omstandigheden in het hoofdgeding moeten de particuliere zorgverzekeraars dus worden beschouwd als de eindverbruiker van een door een btw-plichtige farmaceutische onderneming verrichte goederenlevering, zodat het door de belastingdienst geheven bedrag niet hoger kan zijn dan het door de eindverbruiker betaalde bedrag (zie in die zin arrest van 24 oktober 1996, Elida Gibbs, C‑317/94, EU:C:1996:400, punt 24).”
Boehringer Ingelheim Pharmade verzekeraar enkel als afnemer heeft beschouwd, en zodoende mede als een schakel in de keten die bij de eindverbruiker eindigt, om te bewerkstelligen dat de door de fabrikant verleende korting op de geneesmiddelenprijs tot een verlaging van de maatstaf van heffing zou leiden. [42] In die zin zou sprake kunnen zijn van een doelredenering, zodat de uitkomst van het arrest niet te breed moet worden getrokken. Gelet op het hiervoor behandelde arrest
Le Rayon d’Ormoet het arrest mijns inziens niet zo worden uitgelegd dat in gevallen als het onderhavige, waarin een particuliere zorgverzekeraar zorgkosten vergoedt namens de verzekerde, de verzekeraar geacht moet worden de afnemer van de aan de verzekerde verstrekte diensten te zijn.
Stadion Amsterdam [48] . De vraag of sprake is van een prestatie die gebruikmaking van de hoofdprestatie optimaal maakt, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gemiddelde afnemer van die hoofdprestatie. Uit de rechtspraak van het HvJ moet worden afgeleid dat bij die beoordeling het economische doel van de samengestelde prestatie in acht moet worden genomen, waarbij ook het belang van de afnemer van die prestatie in overweging moet worden genomen (zie
HR BNB 2018/192 [49] over het parkeren bij park Hoge Veluwe).
Verigen Transplantation Service International [52] en punt 3.4.5 van het arrest van de Hoge Raad over de maatschap van operatieassistenten en anesthesiemedewerkers [53] . Volgens belanghebbende moet de dienst van de Zorggroep worden beschouwd als dienst die een “wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel” vormt van een procedé dat “in zijn geheel beschouwd” een “therapeutisch doel” heeft, en waarvan “de ene fase niet kan slagen zonder de andere”.
Verigen Transplantation Service Internationalstaat een samenwerking tussen een biotechnologische onderneming (VTSI) en artsen/ziekenhuizen centraal. VTSI onderzoekt, ontwikkelt, produceert en verkoopt technologische procedés voor de diagnose en therapie van weefselziekten bij de mens, in het bijzonder kraakbeenziekten. De arts of het ziekenhuis zendt bij een patiënt afgenomen kraakbeenmateriaal naar VTSI, die op haar beurt het kraakbeenmateriaal bewerkt en vermeerdert, zodat een “kraakbeenpleister” ontstaat. VTSI zendt dat product terug naar de arts die of het ziekenhuis dat het weer bij de patiënt implanteert. In geschil is de vraag of de bewerkingsdiensten ‘gezondheidskundige verzorging van de mens’ in de zin van de medische vrijstelling vormen. Het HvJ overweegt dat het procedé van afnemen van kraakbeenmateriaal om daaruit cellen te isoleren die zullen worden vermeerderd en bij een patiënt worden geïmplanteerd, in zijn geheel beschouwd, een therapeutisch doel heeft. Aangezien de vermeerderingsdienst van dit procedé een ‘wezenlijk, inherent en onafscheidbaar’ onderdeel is, omdat de ene fase van het procedé niet zonder de andere fase kan slagen, is naar het oordeel van het HvJ sprake van een dienst die een therapeutisch doel heeft en derhalve onder de medische vrijstelling valt. Dat niet als arts opgeleid laboratoriumpersoneel deze diensten verricht, is irrelevant; gezondheidskundige verzorging van therapeutische aard hoeft niet in alle onderdelen door medisch personeel te worden verricht. [54]
Bookit [55] . In die zaak was ook sprake van handelingen die contractueel door twee entiteiten werden verricht. De ene belastingplichtige verrichtte een kaartbetalingsdienst, de andere een bioscoopdienst. Uit dat arrest volgt dat de kaartbetalingsdienst door de een, bijkomend kan zijn bij de bioscoopdienst van de ander, welke de hoofdprestatie vormt.
CPP [56] en
Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie [57] . Het HvJ overweegt dat het aan de nationale rechter is te beoordelen of de voorgelegde gegevens – in het licht van de economische en commerciële realiteit van de betrokken handelingen – kenmerkend zijn voor één enkele handeling, ongeacht de contractuele uitwerking.
Bookiten punt 29 van
Everything Everywhere [58] .
middel 1in mijn optiek tot cassatie leidt, behoeven de overige middelen geen behandeling meer. Niettemin merk ik daarover nog het volgende op.
4.Neutraliteit (middel 2)
Middel 2slaagt dus ook. Omdat middel 1 in mijn optiek al leidt tot een gegrond beroep in cassatie, behoeft middel 2 voor het overige geen behandeling meer.
5.Erkenning als instelling van sociale aard (middel 3)
middel 3komt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat de door de Zorggroep verleende diensten niet zijn vrijgesteld op de voet van artikel 132(1)g Btw-richtlijn. [60]
middel 1niet tot cassatie leidt, merk ik over
middel 3het volgende op.
iddel 3faalt.