Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iklaagt dat in ro. 1.4 van de bestreden beschikking het bestaan van een stoornis onjuist althans onbegrijpelijk althans onvoldoende is gemotiveerd.
subonderdeel 1.1aangevoerd dat betrokkene heeft aangegeven dat er op dit moment geen sprake is van een stoornis en dat de rechtbank ex-nunc moet toetsen. Dat de rechtbank in de beschikking van 18 december 2018 (waarschijnlijk ten onrechte, want het ging slechts om een stoornis door gebruik van middelen) heeft vastgesteld dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens, is derhalve voor de toetsing ex-nunc niet relevant. Uit de verklaring van de geneesheer-directeur van 10 januari 2019 blijkt dat de reden voor het intrekken van de voorwaardelijke machtiging is het niet nakomen van de voorwaarden, met name geen gebruik anders dan methadon en nicotine. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg blijkt dat de psychiater heeft verklaard dat (slechts) sprake is van een verslavingsstoornis en zwangerschap.
subonderdeel 1.2wordt geklaagd dat een verslaving op zich geen stoornis van de geestvermogens is in de zin van de Wet Bopz. De rechtbank heeft overwogen dat middelenafhankelijkheid samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene, dat door weigering van betrokkene geen deugdelijke diagnostiek daarnaar heeft plaatsgevonden maar dat dit niet betekent dat die problematiek niet aanwezig is. Niet blijkt hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat er discussie is over diagnostiek (“psychiater: […] Als betrokkene diagnostiek wil, willen wij daaraan meewerken, maar daarin is ze ambivalent.” [4] ). In het behandelplan van 13 december 2018 staat dat differentiaal diagnostisch gedacht kan worden aan PTSS en/of een persoonlijkheidsstoornis, maar dit is ter zitting niet aan de orde gekomen. Op dit punt wordt verwezen naar de uitspraken van uw Raad van 23 september 2005 [5] en 12 oktober 2018 [6] .
subonderdeel 2.1aangevoerd dat de advocaat van betrokkene in eerste aanleg in het verweerschrift reeds heeft geklaagd over de onafhankelijkheid van de deskundige en het onderzoek (betrokkene is niet deugdelijk door de deskundige gehoord, er is niet ingegaan op het verzoek om haaranalyse dan wel nieuw urine-onderzoek en het standpunt van de geneesheer-directeur is onvoldoende onderbouwd). De advocaat van betrokkene in eerste aanleg heeft verzocht om de onderbouwing van het standpunt van de geneesheer-directeur, maar dit niet ontvangen. Evenmin bevindt zich een verklaring van psychiater [betrokkene 3] bij de stukken en ook de geneesheer-directeur verwijst niet naar psychiater [betrokkene 3] . Deze overweging van de rechtbank is dan ook onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
hoede geestelijke gezondheidstoestand van betrokkene is beoordeeld. Dit leidt ertoe dat het oordeel van de rechtbank op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Gelet op het hiervoor overwogene slaagt de hierop betrekking hebbende klacht in subonderdeel 2.1.