ECLI:NL:PHR:2019:572

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2019
Publicatiedatum
27 mei 2019
Zaaknummer
17/02316
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 416.1.a SrArt. 326 SrArt. 311.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis Hoge Raad over afwijzing uitstelverzoek en strafvermindering wegens termijnoverschrijding in meervoudige strafzaken

De zaak betreft een verdachte die in meerdere strafzaken is veroordeeld voor opzetheling, oplichting en medeplegen van poging tot diefstal door braak. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte deels veroordeeld en deels vrijgesproken. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak, waarbij onder meer een middel is voorgesteld dat het hof ten onrechte het verzoek tot uitstel van behandeling heeft afgewezen.

De verdachte was verhinderd aanwezig te zijn bij de zitting vanwege familieomstandigheden: hij was afgereisd naar Brussel om familieleden te ondersteunen die betrokken waren bij een ernstig auto-ongeluk. Het hof heeft het verzoek tot aanhouding van de behandeling afgewezen na belangenafweging, waarbij het belang van een snelle en adequate afdoening zwaarder woog dan het belang van de verdachte om zijn persoonlijke situatie toe te lichten.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze belangenafweging niet onbegrijpelijk heeft gemaakt en dat het hof niet gehouden was tot nadere motivering. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de strafoplegging en vermindering van de straf, met verwerping van het beroep voor het overige.

De zaak hangt samen met drie andere zaken tegen dezelfde verdachte, waarvoor gelijktijdig conclusies zijn genomen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn, met verwerping van het beroep voor het overige.

Conclusie

Nr. 17/02316
Zitting: 26 maart 2019
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 15 februari 2017 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in de zaak met parketnummer 05-821721-13 (vrijspraak in eerste aanleg), de verdachte vrijgesproken voor het in de zaak met parketnummer 05-840055-13 primair tenlastegelegde, en de verdachte in de zaak met parketnummer 05-821724-13 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 05-821811-13 primair wegens telkens “
opzetheling”, in de zaak met parketnummer 05-821724-13 onder 2 wegens “
oplichting”, in de zaak met parketnummer 05-821759-13 primair wegens “
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”, en in de zaak met parketnummer 05-840055-13 subsidiair wegens “
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro, met toewijzing van de vorderingen van twee benadeelde partijen, telkens tezamen met de oplegging van daarmee corresponderende maatregelen van schadevergoeding, en met de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.
2. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. De zaak hangt samen met drie andere zaken tegen dezelfde verdachte. [1] Ook in die zaken zal ik heden concluderen.
4. Het
middelbehelst de klacht dat het hof een verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak heeft afgewezen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
5. Ter terechtzitting van 1 februari 2017 heeft de raadsvrouw van de niet-verschenen verdachte een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak gedaan, dat zij volgens het proces-verbaal van die zitting als volgt heeft toegelicht:

Cliënt had graag aanwezig willen zijn bij de behandeling van zijn zaken, echter door familieomstandigheden is hij verhinderd vandaag aanwezig te zijn. Cliënt is afgereisd naar Brussel omdat een oom en tante betrokken zijn geweest bij een auto ongeluk. Eén van hen is geopereerd omdat er sprake was van inwendige bloedingen en de situatie is/was kritiek. Cliënt hecht er waarde aan zijn persoonlijke omstandigheden bij de behandeling van zijn zaken, aan uw hof uit te leggen.
Primair verzoek ik uw hof de behandeling van de zaken aan te houden zodat cliënt op de nadere zitting zijn situatie kan toelichten.
Subsidiair: Ik ben gemachtigd de verdediging te voeren. De ingestelde beroepen zien in hoofdzaak op de strafmaat en in enkele zaken wil ik een inhoudelijke opmerking maken. Mocht uw hof de behandeling van de zaken niet aanhouden dan kan ik uw hof eventueel wel iets vertellen over de huidige persoonlijke omstandigheden van cliënt. Ik blijf erbij dat het verhaal van cliënt belangrijk is.
6. Volgens datzelfde proces-verbaal heeft het hof hierop als volgt beslist:

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat na afweging van alle belangen, de belangen van een adequate en snelle afdoening van de zaken zwaarder wegen dan de belangen van verdachte om zijn persoonlijke situatie toe te lichten, waarbij mede een rol speelt dat het thans gaat om meerdere verschillende zaken tegen verdachte en dat het oudere feiten betreft. Het verzoek tot aanhouding zal derhalve worden afgewezen.”
7. In de voorliggende zaak doet zich niet het geval voor dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld. De rechter dient dan een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het hof heeft die afweging verricht en daarbij meer gewicht toegekend aan de belangen van een adequate en snelle afdoening van de zaak en de met deze zaak samenhangende zaken dan aan de belangen van de verdachte om zijn persoonlijke situatie toe te lichten. Gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, te weten de ziekte van een ander dan de verdachte zelf en verdachte’s keuze om die persoon op dat specifieke moment bij te staan, acht ik die afweging niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft het hof in aanmerking mogen nemen dat het thans gaat om meer verschillende zaken tegen de verdachte en dat het oudere feiten betreft. Het hof was m.i. niet gehouden tot een nadere toelichting van deze beweegredenen. [2]
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 RO Pro te ontlenen motivering.
9. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte, die zich tijdens de aanzegging in cassatie niet in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 24 februari 2017 beroep in cassatie doen instellen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Rolnummers 17/02315, 17/02318 en 17/02319.
2.In de zaak tegen dezelfde verdachte met rolnummer 17/02319 heb ik het juridische beoordelingskader geschetst. Hier volsta ik met de beschouwingen die de conclusie dragen.