In deze zaak gaat het om de vraag of verdachte zich heeft laten omkopen tijdens de vervroegde verkiezingen op Sint Maarten in september 2010. Verdachte werd ervan beschuldigd geld en een belofte te hebben aangenomen van een vertegenwoordiger van de United People Party (UPP) in ruil voor het uitbrengen van zijn stem op deze partij.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van getuigen en medeverdachten, waaronder politiefunctionarissen die betrokken waren bij de gang naar het kantoor van de UPP en het aannemen van enveloppen met geld. Uit deze verklaringen blijkt dat verdachte en zijn collega’s financiële steun vroegen en ontvingen, waarbij het duidelijk was dat deze steun gekoppeld was aan het stemmen op de UPP. Verdachte ontkende de ontvangst van geld, maar het hof hechtte meer geloof aan de verklaringen van de getuigen.
Het hof oordeelde dat voor het bewezen verklaren van omkoping geen expliciete toezegging of directe overhandiging van geld door de omkoper aan de verdachte vereist is. Het aannemen van een gift en het wekken van de redelijke verwachting dat het kiesrecht op een bepaalde wijze zal worden uitgeoefend, is voldoende. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van verdachte.
De straf bestond uit een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van 300 Antilliaanse gulden. Het arrest verduidelijkt de uitleg van omkoping in de context van verkiezingen en bevestigt dat het delict is voltooid bij het bereiken van overeenstemming over het stemgedrag in ruil voor een gift of belofte.