Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Ikeert de vrouw zich tegen het oordeel van het hof dat zich vóór 28 februari 2013 geen situatie voordeed als bedoeld in art. 143 lid 3 Rv Pro., waarbij het vonnis ten uitvoer is gelegd als bedoeld in art. 144 Rv Pro. Het gaat hierbij om het oordeel van het hof in rov. 3.6.5 van het tussenarrest van 31 januari 2017, dat – voorafgegaan door rov. 3.6.3 en 3.6.4 – als volgt luidt (met onderstreept de meest relevante passage):
Het beslag dat op 15 augustus 2011 is gelegd op roerende zaken van [de man] heeft niet geleid tot executoriale verkoop van die zaken. Van tenuitvoerlegging van het vonnis is dus vóór 28 februari 2013 geen sprake geweest.”
AG) immers kennelijk toepassing willen geven aan art. 144 sub a Rv Pro., waarin is bepaald dat het vonnis, in geval van gerechtelijke verkoop van goederen, wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de verkoop. Daarbij heeft het miskend dat zich hier geen sub a, maar een sub c-geval voordeed. Art 144 sub c Rv Pro. moet daarbij in samenhang worden gelezen met art. 3:276 BW Pro, waarin is bepaald dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen. Dat is wat de vrouw heeft gedaan. Het hof heeft vastgesteld dat de vrouw op 15 augustus 2011 executoriaal derdenbeslag heeft laten leggen op een aantal roerende zaken in de woning van de man; dat de deurwaarder overeenkomstig art. 491 e.v. Rv. beslag op de roerende zaken van de man heeft gelegd en daarbij door zijn moeder, tevens huisgenote, te woord is gestaan; dat naar aanleiding van deze beslaglegging overleg heeft plaatsgevonden tussen enerzijds de deurwaarder en anderzijds de moeder en zus van de man; en dat als gevolg daarvan een gedeelte van de in beslag genomen inboedelgoederen aan de vrouw is overgedragen. Gelet op de door het hof vastgestelde feiten is een situatie waarin de tenuitvoerlegging van het vonnis door een gerechtelijke verkoop van de in beslag genomen goederen zou plaatsvinden, als bedoeld in art. 144 sub a Rv Pro., nimmer aan de orde geweest. Het oordeel van het hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het gelet op de vaststaande feiten onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
veroordeling tot levering of afgifte van goederendie geen registergoederen zijn. Van een dergelijke veroordeling was in dit geval geen sprake. Het ging immers om de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, waarin een veroordeling was opgenomen
tot betaling van een bedrag van € 5.821,02met wettelijke rente. Het hof heeft dan ook niet vastgesteld dat de deurwaarder
overeenkomstig art. 491 e.v. Rv. beslag op de roerende zaken van de man heeft gelegd. Het heeft (slechts) vastgesteld dat de vrouw op basis van het verstekvonnis
executoriaal derdenbeslag heeft laten leggen op een aantal roerende zaken in de woning van de man(vgl. art. 439 e.v. Rv.). Artikel 144 sub c Rv Pro. was dus niet van toepassing, zodat ook niet kan worden gezegd dat het hof heeft miskend dat een dergelijk geval aan de orde was. Het hof heeft slechts vastgesteld dat (ook) van een gerechtelijke verkoop van goederen als bedoeld in art. 144 sub a Rv Pro. geen sprake is geweest. Daarover – of over een eventuele overeenkomstige toepassing daarvan of van sub c bij de (vrijwillige) afgifte door de moeder en/of zus na het executoriaal beslag, of over de vraag of los van art. 144 Rv Pro. sprake zou zijn van tenuitvoerlegging (wat daarvan ook allemaal zij) – klaagt het onderdeel niet. Integendeel geeft het juist aan dat de situatie van sub a nimmer aan de orde is geweest. Om die reden heeft het hof geoordeeld dat van tenuitvoerlegging van het vonnis vóór 28 februari geen sprake is geweest. Het in het onderdeel gestelde ten aanzien van art. 144 sub c Rv Pro. kan daaraan – gelet op het feit dat het niet van toepassing is – niets afdoen. Het onderdeel faalt dus.
rechtens vaststaatdat de vrouw jegens de man aanspraak kan doen gelden op betaling van het bedrag aan Kindergeld van € 5.821,02. Het hof is hierbij uitgegaan van een onjuiste beoordelingsmaatstaf. Het heeft ten onrechte gemeend dat een overweging dragend moet zijn voor de beslissing die in het dictum van de betreffende beschikking is gegeven om daaraan gezag van gewijsde toe te kennen. Het gaat er echter om dat de vaststelling van een feit deel uitmaakt van een beslissing omtrent de rechtsbetrekking in geschil, in dier voege dat deze rechtsbetrekking (mede) wordt bepaald door de volgens die beslissing voor partijen aan het vastgestelde feit verbonden rechtsgevolgen [5] , aldus het onderdeel. En dat laatste is wat de rechtbank heeft gedaan in de beschikking van 3 maart 2009: zij heeft immers geoordeeld dat rechtens vaststaat dat de vrouw jegens de man aanspraak kan doen gelden op betaling van het bedrag aan Kindergeld van € 5.821,02. Dat de rechtbank de vordering van de vrouw alsnog heeft afgewezen, had een puur procedurele reden (het ging om een vordering die met een dagvaarding had moeten worden ingeleid, en niet in een verzoekschriftprocedure kon worden ingediend of toegewezen, terwijl er volgens de rechtbank geen aanleiding was om art. 69 Rv Pro. toe te passen). Dit doet echter niet af aan de vaststelling van de rechtsbetrekking in kwestie. Het onderdeel beroept zich hierbij op HR 30 oktober 1998 (
Van Gasteren/Beemster e.a.), ECLI:NL:HR:1998:ZC2759, NJ 1999/83. Daaruit kan volgens het onderdeel worden afgeleid dat de beslissing in het dictum (strekkende tot afwijzing van het gevorderde) niet allesbepalend is voor de vraag of aan een beslissing gezag van gewijsde toekomt. Het ging daarin eigenlijk om een voortzetting van een eerdere procedure. De rechtsbetrekking stond en staat in een dergelijke vervolgprocedure (zoals ook hier) niet meer ter discussie.
deel uitmaakt van een beslissing omtrent de rechtsbetrekking in geschil, in dier voege dat deze rechtsbetrekking (mede) wordt bepaald door de volgens die beslissing voor partijen aan het vastgestelde feit verbonden rechtsgevolgen. [6] In deze zaak is immers in het geheel geen beslissing genomen omtrent deze rechtsbetrekking, omdat het ging om een vordering die met een dagvaarding had moeten worden ingeleid, en niet in een verzoekschriftprocedure kon worden ingediend of toegewezen (terwijl er volgens de rechtbank geen aanleiding was om art. 69 Rv Pro. toe te passen). De rechter in kwestie kon daarom in de hem voorgelegde verzoekprocedure niet over deze rechtsbetrekking (en de daaruit voortvloeiende vordering) beslissen, hij kon en mocht daarover geen uitspraak doen (met een op deze rechtsbetrekking betrekking hebbend dictum). Het debat tussen partijen over die vordering moest immers in de context van een dagvaardingsprocedure (en volgens de daarvoor geldende regels) worden gevoerd. Dat maakt de (ongelukkige) vaststelling die de rechtbank desondanks heeft gedaan tot een overweging ten overvloede, waaraan geen gezag van gewijsde toekomt. In die zin was deze vaststelling ook niet dragend voor de beslissing die wél is genomen (de afwijzing van het verzoek, zowel voor zover dat eigenlijk een vordering betrof – vanwege de verkeerd ingeleide procedure – als voor zover het (wel degelijk) betrekking had op kinderalimentatie). De overweging van het hof in die zin gaat dan ook niet uit van een onjuiste rechtsopvatting.
arrest Van Gasteren/Beemster e.a.was deze kwestie niet, althans niet direct, aan de orde. Daar heeft de Hoge Raad zich slechts uitgesproken over de hem voorliggende klacht dat een beroep op gezag van gewijsde niet in verzoekschriftprocedures kon worden gedaan (dat kan wel, met betrekking tot beslissingen over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen) en de klacht dat in dat geval geen beroep op dat gezag van gewijsde was gedaan (volgens de Hoge Raad was niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk had geoordeeld van wel). Voor zover daarin ook besloten zou liggen dat het hier daadwerkelijk gaat over een beslissing over een rechtsbetrekking in geschil (daarover was als gezegd echter niet geklaagd) – welk standpunt door de advocaat-generaal in die zaak wel werd ingenomen [7] – vermeld ik nog het volgende. In die zaak was volgens de advocaat-generaal sprake van ‘een beoordeling van een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen en een definitieve uitspraak dienaangaande op basis van een aan een bodemprocedure eigen onderzoek’ en was in wezen sprake van een soort voortzetting van het eerdere geding. [8] In de nu voorliggende zaak is hiervan geen sprake, aangezien nu juist een andere procedure diende te worden gevolgd, in welke procedure de betreffende rechtsbetrekking nog volledig ter discussie kon en mocht worden gesteld, en in welke procedure nu juist het daarop betrekking hebbende onderzoek (nog ten volle) diende plaats te vinden.
wanneerhet Kindergeld werd uitgekeerd, maar
op welke periodedit uitbetaalde geld betrekking had, namelijk de periode waarin partijen een gemeenschappelijke huishouding voerden en de kinderen dus bij hen beiden woonden. Het door het onderdeel aangehaalde betoog van de vrouw in hoger beroep bevat geen stellingen die dit laatste oordeel onbegrijpelijk (kunnen) maken en het onderdeel betoogt ook niet dat dit laatste oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (wat mijns inziens overigens ook niet het geval is), anders dan dat het een citaat bevat uit het betoog van de vrouw in hoger beroep waarin zij (niet verder onderbouwd) stelt dat niet relevant is over welke periode het Kindergeld is opgebouwd. Daarnaast verwijst de vrouw voor haar stelling dat het Kindergeld aan haar diende te worden uitbetaald naar § 64 Abs. 2 Satz 1 van het Einkommensteuergesetz (EStG). Deze volzin luidt als volgt:
Daraus kann aber entgegen der Auffassung des Verwaltungsgerichts nicht geschlossen werden, die Zweckbindung des Kindergeldes bestehe nach § 31 EStG darin, das Existenzminimum des Kindes abzudecken. Vielmehr ist ein Zweck des Kindergeldes, die steuerliche Freistellung eines Einkommensbetrages in Höhe des Existenzminimums eines Kindes zu bewirken (§ 31 EStG). Mit diesem Zweck wird Kindergeld nicht dem Kind selbst (vertreten durch die Eltern) als Einkommen zur Sicherung seines Existenzminimums gewährt, sondern es bleibt der Teil des elterlichen Einkommens steuerfrei,den diese zur Existenzsicherung ihres Kindes benötigen. Eine Steuerfreistellung kann zu einem höheren Nettoeinkommen des Anspruchsberechtigten, nicht dagegen zu Einkommen des Kindes selbst führen, für das Kindergeld gewährt wird.
Zum anderen dient das Kindergeld, soweit es für den Zweck der steuerlichen Freistellung nicht erforderlich ist, "der Förderung der Familie" und nicht etwa allein oder vorrangig der Förderung des Kindes, für das Kindergeld gewährt wird.
Duitse rechtstrookt met het Nederlandse systeem van overheidstegemoetkomingen in de kosten van kinderen en met de uitgangspunten van de wettelijke onderhoudsverplichting van ouders voor hun minderjarige kinderen, zoals neergelegd in art. 1:397 en Pro 1:404 BW, zie ik hier ten slotte niet. Dit nog los daarvan dat (ook) de Nederlandse kinderbijslag en het kindgebonden budget mijns inziens dienen om een deel van de door de ouders voor hun kinderen gemaakte kosten te dekken [11] en derhalve goed stroken met het oordeel van het hof over de strekking van het Duitse Kindergeld. Ten aanzien van de verplichting van de man om de kinderen van partijen te onderhouden heeft het hof – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat niet gesteld is dat de man in die periode is tekortgeschoten in de nakoming daarvan. Bovendien betrof de gevorderde doorbetaling van het Kindergeld nu juist
nieteen verzoek om betaling van kinderalimentatie en werd onafhankelijk van de behoefte van de kinderen of de draagkracht van de man gedaan (vgl. hierboven bij 1.1 onder (vii) en (viii)). Dat overheidsbijdragen een rol kunnen spelen bij de bepaling van de behoefte van de kinderen en/of de draagkracht van de ouders, stond hier verder ook niet ter discussie.