Conclusie
mishandeling” veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op een ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv strekkende tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer(exces).
hij op 9 mei 2016 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door
“Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
(…)
de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 september 2016, voor zover inhoudende:
het proces-verbaal vanaangifte van [slachtoffer] ,van de politie Eenheid Den Haag, nr. PL1500-2016133921-1, d.d. 13 mei 2016 opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende:
eengeschrift, inhoudende foto’s van het letsel van aangever [slachtoffer] (blz. 8-14);
het proces-verbaal vanverhoor getuige, van de politie Eenheid Den Haag, nr. PL1500-2016133921-3, D.D. 20 juni 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar inhoudende:
“Bewijsoverwegingen(…)De raadsman heeft voorts betoogd dat er sprake is van noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangever met een gebalde rechtervuist voor de deur stond, klaar om uit te halen naar de verdachte. Verdachte wist dat hij deze vuist vol op zijn gezicht zou krijgen en heeft in een reflex gehandeld.
De politierechter verwerpt het noodweerverweer, nu niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een noodweersituatie. Dit scenario wordt immers niet ondersteund door de verklaring van aangever, noch door de verklaring van getuige [getuige] .
noodzakelijkzijn geweest. Het strafbare feit moet vanwege die verdediging zijn
geboden. [2] De verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is evenwel niet noodzakelijk indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. [3] Dat is het geval indien voor de verdachte daartoe een reële en redelijke mogelijkheid heeft bestaan. [4] Onttrekking moet van de verdachte kunnen worden gevergd. [5]
tweede middelklaagt eveneens dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op een ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv inhoudende dat onttrekking aan de aanranding geen reële optie was die van de verdachte kon worden gevergd.