ECLI:NL:PHR:2019:672

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2019
Publicatiedatum
21 juni 2019
Zaaknummer
17/02915
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588a SvArt. 588 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte in hoger beroep

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens verduistering tot een gevangenisstraf van zes weken. In hoger beroep werd het vonnis bij verstek gewezen omdat de verdachte niet aanwezig was. De verdachte had tijdens politieverhoren twee adressen opgegeven: een pensionadres en een verblijfadres bij zijn neef. Het hof had de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep alleen aan het pensionadres toegezonden, maar niet aan het verblijfadres, dat ook als opgave in de zin van art. 588a Sv moest worden gezien.

De advocaat-generaal stelde dat het hof had moeten onderzoeken of het onderzoek geschorst moest worden om de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn. Dit onderzoek heeft het hof niet verricht. Daarom adviseerde de AG het arrest te vernietigen. Het tweede middel betrof een vermeende verdraaiing van een verklaring van de verdachte, maar dit werd verworpen.

De Hoge Raad volgt het advies van de AG en vernietigt het arrest. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling, waarbij het aanwezigheidsrecht van de verdachte moet worden gewaarborgd. Hiermee wordt het belang van correcte oproeping aan alle opgegeven adressen benadrukt om een eerlijk proces te garanderen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte door het niet toezenden van de oproeping aan het opgegeven verblijfadres.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer17/02915
Zitting25 juni 2019
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 22 december 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “verduistering”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat is verzuimd een afschrift van de oproeping van de verdachte in hoger beroep te zenden aan een door de verdachte opgegeven adres als bedoeld in art. 588a Sv.
2.2
De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:
(i) een proces-verbaal van politie van 14 december 2012, inhoudende als verklaring van de verdachte op vragen van de verbalisant:
“V: Kunt u kort iets over u zelf vertellen?
A: Ik werk op dit moment niet, ik woon op de [a-straat 1] te Eindhoven. Hier woon ik in een pension en deze is van mijn neef. Er is regelmatig dat er in het pension geen plaats is dan verblijf ik bij mijn neef thuis. Dit is op de [b-straat 1] te Eindhoven.”;
(ii) een proces-verbaal van politie van 15 december 2012, inhoudende als verklaring van de verdachte op vragen van de verbalisant:
“V: Waar woon je?
A: Ik woon op de [a-straat 1] te Eindhoven. Dit is een pension en als daar geen plaats is verblijf ik bij mijn neef op het adres [b-straat 1] te Eindhoven.”;
(iii) een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 8 juli 2014 mr. M.J. van de Laar, advocaat te Eindhoven, ter griffie van de rechtbank kwam en hoger beroep heeft ingesteld namens de verdachte, wonende te [a-straat 1] in Eindhoven, thans gedetineerd te PI Zuid Oost-Roermond PIA in Horst.
(iv) het dubbel van de oproeping van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2015;
(v) een akte van uitreiking, inhoudende dat voormelde oproeping op 2 november 2015 is aangeboden op het adres [a-straat 1] te Eindhoven en, omdat de geadresseerde niet werd aangetroffen op dit adres, is uitgereikt aan [naam] , die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
(vi) een ID-staat SKDB van 9 november 2015 onder meer inhoudende dat:
- de verdachte met ingang van 25 september 2013 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] te Eindhoven;
- de verdachte, voordat hij op 25 september 2013 op het adres [a-straat 1] te Eindhoven werd ingeschreven, vanaf 6 mei 2013 een onbekend adres had en hiervoor, vanaf 22 augustus 2012 voornoemd adres als GBA-adres had;
- het adres [a-straat 1] te Eindhoven tevens de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte betreft, met als datum van registratie 14 december 2012.
2.3
Art. 588a Sv luidt:
“1. In de navolgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
(…)
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege worden gelaten indien:
a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 588 moet Pro worden uitgereikt;
b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;
c. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon dan wel aan een andere persoon als bedoeld in artikel 588, derde lid, onder b, is uitgereikt.”
2.4
Het adres vermeld in de akte instellen hoger beroep van 8 juli 2014 is het adres waarop de verdachte met ingang van 25 september 2013 in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven en waarop de oproeping op 2 november 2015 (rechtsgeldig) is uitgereikt aan een ander dan de verdachte. De verdachte heeft in de politieverhoren van 14 en 15 december 2012 verklaard dat hij op dit adres woont. Kennelijk heeft de bovengenoemde registratie van 14 december 2012 van dit adres als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte betrekking op deze verklaring van de verdachte. Dit adres was toen ook het adres waarop de verdachte in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven. [1]
2.5
De verdachte heeft in de politieverhoren van 14 en 15 december 2012 verder ook verklaard dat het woonadres [a-straat 1] te Eindhoven een pension is en dat hij regelmatig verblijft op het adres [b-straat 1] te Eindhoven. Het lijkt mij dat dit laatste, door de verdachte opgegeven verblijfadres moet worden opgevat als een opgave in de zin van art. 588a lid 1 onder a Sv.
2.6
Toezending van een afschrift van de oproeping aan dit adres kan achterwege blijven indien, bijvoorbeeld op grond van gegevens die aan het licht zijn gekomen bij de betekening van deze oproeping, als vaststaand kan worden aangenomen dat dit eerder opgegeven adres achterhaald is. [2] Dat dit geval zich hier voordoet, blijkt niet uit de stukken. Zij houden verder ook niets in waaruit kan volgen dat de verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Dit betekent dat het hof ervan blijk had moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. [3] Van een zodanig onderzoek blijkt niet.
2.7
Het middel slaagt. Ik bespreek het tweede middel, voor het geval de Hoge Raad daarover anders denkt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof een als bewijsmiddel gebruikte verklaring van de verdachte heeft gedenatureerd.
3.2
De door de verdachte op 15 december 2012 bij de politie afgelegde verklaring die het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde als bewijsmiddel 2 heeft gebezigd, heeft het hof als volgt zakelijk weergegeven:
“V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: We weten dat je een vriendschappelijke relatie hebt gehad met [benadeelde] . Sinds wanneer kennen jullie elkaar?
A:(...) Ik heb haar ontmoet in een amusementshal op de Kruisstraat te Eindhoven. Ik denk ongeveer een jaar geleden. (...)
V: Wanneer is jullie vriendschappelijke relatie begonnen?
A: Ik wil nogmaals zeggen dat het moment dat ik met haar ben meegegaan om de woning te bekijken ik toen ook ben blijven slapen en dat er toen een relatie is ontstaan wat meer is als vriendschappelijk. (... )
V: Kunt u meer vertellen over de verdwenen inboedel, waarvan u tegen [benadeelde] hebt gezegd dat deze alvast door u is verhuisd naar de [c-straat] te Eindhoven?
A: Er is een opkoopbedrijf 3 keer in de woning geweest. Ik heb het contact gelegd met het bedrijf. (...) Het bedrijf heeft iedere keer wat spullen meegenomen. Toen het bedrijf de vierde keer kwam, was ik met [benadeelde] in het hotel Queen. Ik ben toen met de trein teruggegaan en heb de spullen voor 750 euro verkocht.
V: Wist [benadeelde] hiervan?
A: (...) Ik heb niet duidelijk gezegd dat ik de spullen had verkocht. Het geld, de 750 euro, heb ik niet aan haar gegeven. Het geld is opgegaan aan gokken, hotels en eten.
V: Hoe bent u de woning van [benadeelde] binnengekomen?
A: Ik heb altijd de sleutel gehad van [benadeelde] ’s woning.”
3.3
Het proces-verbaal van voornoemd verhoor bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken en het houdt – voor zover van belang – in:
“V: Kunt u meer vertellen over de verdwenen inboedel, waarvan u tegen [benadeelde] hebt gezegd dat deze alvast door u is verhuisd naar de [c-straat] te Eindhoven?
A: Er is een opkoopbedrijf 3 keer in de woning geweest, waar [benadeelde] zelf bij was. Zij moest geld hebben en liet daarom het bedrijf komen. Het bedrijf hebben we uit de krant. Ik heb het contact gelegd met het bedrijf. Wij hebben daar samen over gesproken en we besloten dit te doen omdat we daar weg wilden en zo dan weer geld hadden. Het bedrijf heeft iedere keer wat spullen meegenomen. We waren daar steeds samen bij aanwezig. Het geld wat we ervoor kregen hebben we samen opgemaakt aan b.v. hotels en gegokt en gereisd.
A: Toen het bedrijf de vierde keer kwam was ik met [benadeelde] in hotel Queen. Ik ben toen met de trein teruggegaan en heb de spullen voor 750 euro verkocht.
V: Wist [benadeelde] hiervan?
[benadeelde] wist van de eerste 3 keer af en was er ook bij. De vierde keer heb ik wel tegen haar gezegd dat ik de spullen uit de woning had gehaald, maar ik heb niet duidelijk gezegd dat ik de spullen verkocht had. Het geld de 750 euro heb ik niet aan haar gegeven. Het geld is opgegaan aan gokken, en hotels en eten. Dit geld heb ik gebruikt voor ons samen. Het is niet zo dat ik het zelf opgegokt hebt.”
(…)
V: Hoe bent u de woning van [benadeelde] binnengekomen?
A: Ik heb altijd de sleutel gehad van [benadeelde] ’s woning.”
3.4
Mijns inziens heeft het hof, door de verklaring van de verdachte weer te geven zoals het hof dit heeft gedaan, niet een andere strekking gegeven aan de inhoud van de verklaring, zoals deze door de verdachte bij de politie is afgelegd. Waar het immers bij de bewezenverklaring [4] om gaat, is dat de verdachte heeft verklaard dat hij de vierde keer dat het opkoopbedrijf in de woning is geweest spullen ter waarde van 750 euro heeft verkocht, dat niet aan [benadeelde] heeft gezegd en ook het geld niet aan haar heeft gegeven.
3.5
Het middel faalt.
3.6
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel zou, indien de Hoge Raad ten aanzien van het eerste middel tot een ander oordeel komt, met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro kunnen worden afgedaan.

4.Conclusie

4.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast voorkomt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie het stuk dat onder 2.3, verder onder (vi), is weergegeven.
2.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken, rov. 3.38.
3.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken, rov. 3.34.
4.Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte: “op een tijdstip in de periode van 1 februari 2011 tot en met 1 mei 2012 te Helmond enig goed, toebehorende aan [benadeelde] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”