Conclusie
1.Inleiding
2.Procesverloop
3.De ontvankelijkheid van het principale cassatieberoep
Onderdeel 1betreft het oordeel over grief 3 in het eindarrest.
Onderdeel 2betreft het oordeel over grief 8 in het eindarrest (subonderdelen 2.1 en 2.2), de omschrijving van het appel in het eindarrest (subonderdeel 2.5) en overwegingen in het herstelarrest (subonderdelen 2.3 en 2.4).
Onderdeel 3klaagt over de toepassing van art. 31 Rv Pro in het herstelarrest.
subonderdelen 2.3 en 2.4klagen over overwegingen die het hof in zijn herstelarrest ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat er geen plaats is voor aanvulling van het eindarrest op de voet van art. 32 Rv Pro. Uit art. 32 lid 3 Rv Pro volgt dat tegen de weigering van de aanvulling geen voorziening openstaat. Nu het principale cassatiemiddel geen doorbrekingsgrond aanvoert die het oordeel over art. 32 Rv Pro betreft, kan [eiser] in zoverre niet in het principale cassatieberoep worden ontvangen.
onderdeel 3onderzoeken, nu dit onderdeel een ‘doorbrekingsgrond’ aanvoert, namelijk dat het hof buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv Pro is getreden. [6]
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1
3.Beslissing
subonderdeel 2.5. Dit subonderdeel klaagt op zichzelf terecht dat het hof op p. 2 van het eindarrest miskent dat het hoger beroep ook de reconventionele vordering betrof. Dit blijkt uit de appeldagvaarding, uit grief 8 en de daarop gegeven toelichting waarin de overwegingen van het vonnis worden aangevallen die de rechtbank aan de toewijzing van de reconventionele vordering ten grondslag heeft gelegd.
subonderdeel 2.1volgt uit de in rov. 3.11 en 3.19 van het eindarrest vastgestelde zorgplichtschending dat de toewijzing van de reconventionele vordering niet, in elk geval niet ongewijzigd, in stand kon blijven. Daarom is het verbeterde dictum innerlijk tegenstrijdig met het oordeel van het hof in conventie over de schending door TGB van haar zorgplicht jegens [eiser] en dus onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.2het verbeterde dictum onvoldoende gemotiveerd en/of onjuist, omdat het hof dan in ieder geval grief 8 inhoudelijk had moeten beoordelen. In grief 8 is onder meer aangevoerd dat de algemene voorwaarden van TGB niet toepasselijk c.q. vernietigd zijn, zodat de daarin opgenomen boekenclausule niet geldt, en heeft [eiser] verwezen naar zijn gemotiveerde betwisting van de juistheid van de administratie van TGB. Zonder nadere motivering die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [eiser] bij de beoordeling van grief 8 geen belang had, aldus de klacht.
subonderdeel 2.2. TGB en KBL [12] refereren zich wat dit subonderdeel betreft aan het oordeel van de Hoge Raad.
subonderdeel 2.1ten overvloede. Het hof houdt rekening met de mogelijkheid dat althans een deel van de debetstand van € 4.548.390,47, tot betaling waarvan [eiser] door de rechtbank in reconventie is veroordeeld, is veroorzaakt door de zorgplichtschending van TBG en, na eventuele verdiscontering van eigen schuld van [eiser] , voor rekening van TBG dient te komen. Uit de rov. 3.17 en 3.19 van het eindarrest volgt weliswaar niet dat de gehele debetstand niet door [eiser] verschuldigd is (zoals TGB en KBL op zichzelf terecht opmerken in hun schriftelijke toelichting nr. 2.3 en waarvan ook subonderdeel 2.1 uitgaat), maar evenmin dat de gehele debetstand wél door hem verschuldigd is.
subonderdeel 2.3veronderstelt, heeft het hof met zijn oordeel in rov. 2.3 van het herstelarrest dat hij in rov. 3.17 grief 8 impliciet heeft ‘verworpen’, niet bedoeld dat het hof grief 8 inhoudelijk heeft behandeld. Het hof heeft bedoeld dat grief 8 bij gebrek aan belang niet is beoordeeld, en dat – aldus de vierde volzin van rov. 2.3 – de consequentie daarvan is dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd voor zover het betreft de reconventionele vordering van TGB.
subonderdeel 2.4veronderstelt, heeft de overweging in rov. 2.3 [15] van het herstelarrest dat het hof in rov. 3.17 heeft beslist over de vordering van TGB ‘voor zover’ aan het hof onderworpen, niet de betekenis dat grief 8 een andere of beperktere strekking had dan in subonderdeel 2.2 is weergegeven. De woorden ‘voor zover’ verwijzen terug naar rov. 2.2 van het herstelarrest, waarin het hof overweegt dat in appel grief 8 van [eiser] betrekking heeft op de in eerste aanleg toegewezen reconventionele vordering van TGB en dat de overige vorderingen in reconventie zijn afgewezen. [16]
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
onderdeel 2.2van het incidentele middel (
onderdeel 2.1bevat geen klacht) drie klachten tegen rov. 3.17 en het aldus te lezen dictum van het eindarrest. Deze klachten zijn min of meer spiegelbeeldig aan de subonderdelen 2.1 en 2.2 van het principale middel.