Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
artikel 7 Bijzondere Pro Voorwaarden is onder 1 bepaald:
“Onverminderd het in artikel 3 van Pro deze Bijzondere Voorwaarden bepaalde, is sprake van arbeidsongeschiktheid indien verzekerde voor tenminste 25% ongeschikt is voor het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan zijn op het polisblad vermelde beroep, zoals dat voor deze beroepsbezigheden in de regel en redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Aanpassing van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf worden daarbij betrokken.”
“wegens het verlies van inkomen door zijn arbeidsongeschiktheid recht [heeft] op een uitkering uit hoofde van de door hem afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een arbeidsongeschiktheidsverzekering dekt naar zijn aard immers dat risico. Dit is in artikel 2 van Pro de Bijzondere Voorwaarden arbeidsongeschiktheidsverzekering extra ook expliciet vermeld; er moet sprake zijn van derving van inkomen.”
“ [eiser 1] heeft dan ook wegens verlies van inkomen door zijn ongeschiktheid recht op een uitkering uit hoofde van bedoelde arbeidsongeschiktheidsverzekering.”
“Hij wil niets liever dan weer aan het werk, maar dat gaat nu eenmaal niet.”. Daarna meldt zij dat
“de psychische en ook de lichamelijke klachten stabiel slecht [zijn]”(in december 2011), dat
“de klachten zodanig ernstig [zijn] dat van vermogen tot arbeid geen sprake is”(juli 2012), ten aanzien van het perspectief op arbeidsre-integratie:
“Dit perspectief is er op dit moment niet”(januari 2013), dat
“de klachten zodanig ernstig [zijn] dat van vermogen tot arbeid geen sprake is”(maart 2013) en dat
“de klachten zodanig ernstig [zijn] dat van vermogen tot arbeid geen sprake is”(juni 2013). Generali heeft onbetwist gesteld (inleidende dagvaarding, punt 13 sub d) en dit blijkt ook uit de brief zelf, dat de brief van januari 2013 door [eiser 1] is gezien en akkoord is bevonden.
“Ten aanzien vanwerkengeeft verzekerde aan dat dit niet mogelijk is.”– en heeft hij in het kader van het inzage- en correctierecht ten aanzien van de re-integratie opgemerkt:
“Er vindt geen concrete re-integratie in eigen of vervangend werk plaats.”.”
€ 85.403,--van SON (Perekrostok) heeft ontvangen, dat [A]
€ 42.800,16aan Endemol heeft gefactureerd (waaronder een bedrag van
€ 4.085,80voor de 5846 kilometers die blijkens de facturen in 2010 voor Endemol is gereden), dat [A] in 2010
€ 18.000,--aan WTC Expo heeft gefactureerd, dat [A]
€ 36.750,--over de jaren 2010-2013 in rekening heeft gebracht aan AVIA, dat zij een bedrag van
€ 33.732,48aan [B] in rekening heeft gebracht voor in 2012 en 2013 verrichte werkzaamheden, dat zij voor in 2012 en 2013 voor RTI Hilversum verrichte werkzaamheden
€ 25.500,--in rekening heeft gebracht en aan Glans Garant over de jaren 2011-2013
€ 16.500,--. Voor losse opdrachten heeft [A] in de jaren 2010-2013 blijkens de door Generali overgelegde facturen ongeveer
€ 49.000,--in rekening gebracht.
: “Elk recht op uitkering vervalt, indien verzekeringnemer of verzekerde opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt of laat verstrekken.”dan wel artikel 7:941 lid 5 BW Pro. Het hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 14 Bijzondere Pro Voorwaarden, laatste zin, toepassing mist, zodat dus onderzocht dient te worden of Generali zich op artikel 7:941 lid 5 BW Pro kan beroepen. Generali stelt dat [eisers] kan worden verweten dat zij opzettelijk onjuiste informatie hebben verstrekt dan wel hebben laten verstrekken (dat [eiser 1] niet werkte en niet kon werken, ook niet op re-integratiebasis) dan wel informatie hebben verzwegen (namelijk dat [eiser 1] wel werkte en daarmee substantiële inkomsten genereerde).
opzettelijkonjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt of hebben laten verstrekken. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste subonderdeel van onderdeel 1heeft het hof met dit oordeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in de Richtlijn, zodat die verzekering dient te worden gekwalificeerd als een consumentenovereenkomst waarop de Richtlijn van toepassing is. Het
tweede subonderdeel van onderdeel 1voert aan dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is, omdat uit de enkele omstandigheid dat [eiseres 2] en niet [eiser 1] zelf de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft gesloten niet, althans niet zonder meer, volgt dat er geen sprake is van een consumentenovereenkomst.
eerste subonderdeelen het
tweede subonderdeelvan)
onderdeel 1achterwege blijven. [10]
in het kader van verweergeldt ook in het kader van art. 7:941 lid 5 BW Pro het gewone regime. Daarover kort het volgende. Het bewijsaanbod met betrekking tot tegenbewijs behoeft (in eerste instantie [14] en anders dan een ‘gewoon’ bewijsaanbod) geen specificatie, [15] maar het aanbod tot tegenbewijs dient vanzelfsprekend wel ter zake dienend te zijn. [16] Een ongespecificeerd, maar ter zake dienend aanbod tot tegenbewijs mag derhalve niet worden gepasseerd. [17] Wel moet de partij die tegenbewijs aanbiedt aan haar ‘stelplicht’ hebben voldaan; de rechter behoeft een partij die te weinig heeft gesteld
in het kader van haar verweerniet toe te laten tot tegenbewijs. Om te kunnen worden toegelaten tot tegenbewijs, moet een partij de feiten waartegen zij tegenbewijs wil leveren derhalve wel voldoende gemotiveerd hebben betwist. [18] Deze stelplicht gaat niet zo ver dat een partij op voorhand haar stellingen
aannemelijkmaakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt. [19] Een begin van bewijs wordt dus niet geëist. [20]
eerste subonderdeel van onderdeel 2voert aan dat het bewijsaanbod van [eisers] , anders dan het hof volgens [eisers] kennelijk heeft aangenomen, een aanbod tot het leveren van tegenbewijs is en dat een dergelijk bewijsaanbod dient te worden gehonoreerd indien voldoende feiten worden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden (omdat door het te leveren tegenbewijs volgens [eisers] de door Generali “gestelde schending van de informatieplicht en het bedrog niet zou[den] kunnen worden bewezen” [21] ). Volgens [eisers] kunnen de volgende door [eisers] aangevoerde omstandigheden leiden tot een ander oordeel omtrent de schending van de informatieplicht door [eisers] en het door Generali gestelde bedrog, zodat het hof [eisers] had moeten toelaten tot het door hen aangeboden tegenbewijs: i) de omzet heeft voor 80% bestaan uit langlopende contracten met diverse klanten, ii) de werkzaamheden zijn door [eiser 1] verricht op arbeidstherapeutische basis met goedvinden van Generali en iii) [eisers] hebben bemiddelingsvergoedingen gekregen voor het uitbesteden van opdrachten aan derden en derden hebben kosteloos werkzaamheden ten behoeve van [eisers] verricht. In hun schriftelijke toelichting [22] beperken [eisers] zich in dit kader vervolgens tot de tweede door [eisers] aangevoerde omstandigheid (de werkzaamheden zijn door [eiser 1] verricht op arbeidstherapeutische basis met goedvinden van Generali). Dit komt mij op zich juist voor nu het door [eisers] gedane bewijsaanbod in het bijzonder ziet op de stelling van [eisers] “dat er slechts arbeidstherapeutische klusjes door hem [ [eiser 1] ] zijn gedaan, waarbij hij veelal door andere[n] werk [lees: werd, A-G] geholpen, steeds in overleg met [betrokkene 2] . [eiser 1] en [betrokkene 2] voornoemd kunnen daarover onder meer onder ede verklaren.”, aldus het bewijsaanbod van [eisers] [23]
in het kader van haar verweer(de feiten – waartegen zij tegenbewijs wil leveren – onvoldoende gemotiveerd heeft betwist) niet toe te laten tot tegenbewijs (hiervoor randnummer 3.6). Aannemelijk is dat het hof hierop heeft gedoeld met “stelplicht” in de zin “Nu [eisers] op dit punt niet aan hun stelplicht hebben voldaan, is er geen plaats voor een bewijsopdracht dat het [eiser 1] was toegestaan om op arbeidstherapeutische basis te werken.” Aldus heeft het hof een juiste maatstaf voor het passeren van het aanbod tot tegenbewijs gehanteerd. In cassatie hebben [eisers] zich overigens niet op het standpunt gesteld dat zij wél hebben voldaan aan hun stelplicht ter zake, zij hebben slechts de betreffende rechtsoverweging bestreden op de grond dat het hof een verkeerde maatstaf ten aanzien van het passeren van het aanbod tot tegenbewijs heeft gehanteerd. Nu het hof een juiste maatstaf heeft gehanteerd voor het passeren van het aanbod tot tegenbewijs van [eisers] en [eisers] in cassatie niet hebben aangevoerd dat zij – in tegenstelling tot hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 4.12 – wél voldoende hebben gesteld om toegelaten te worden tot het leveren van tegenbewijs, strandt reeds hierop het
eerste subonderdeel van onderdeel 2.
onbestredenheeft overwogen dat arbeidstherapeutische werkzaamheden in de regel geen loonwaarde vertegenwoordigen, dat met arbeidstherapeutisch werk dus geen (substantieel) inkomen of omzet wordt gegenereerd, dat arbeidstherapeutisch werk doorgaans gedurende korte tijd wordt verricht en niet gedurende enkele jaren en dat [A]
blijkens de jaarstukkenechter substantieel omzet heeft gegenereerd over de jaren 2010-2013. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.12 overwogen dat het op grond van het voorgaande van oordeel is dat [eisers] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat [eiser 1] in de jaren 2010-2013 voor een groot aantal opdrachtgevers werkzaamheden heeft verricht waarmee substantiële omzet (voor [A] ) is behaald en dat daarmee naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van werkzaamheden op (het door [eisers] niet nader aangeduide begrip) arbeidstherapeutische basis. Voorts heeft het hof overwogen dat de verklaringen van psychologe [betrokkene 2] daaraan niet kunnen afdoen, nu zij er blijkens haar verklaring (en eerdere berichten aan Generali) kennelijk geen weet van had tot welke omvang [eiser 1] omzet genereerde. Ten overvloede heeft het hof ten aanzien van psychologe [betrokkene 2] nog overwogen dat [eisers] niet (voldoende duidelijk) hebben gesteld dat zij een door Generali aangewezen deskundige in de zin van artikel 25 lid 1 onder Pro d van de Bijzondere Voorwaarden is;
in het geheelniet bestreden, zodat die oordelen vaststaan. In onderdeel 2 hebben [eisers] nog wel opgenomen dat “(…) het hof [heeft] geoordeeld dat [eisers] onvoldoende (duidelijk) heeft [hebben] gesteld dat psycholoog [betrokkene 2] een door Generali aangewezen deskundige is. Met deze oordelen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn die oordelen onbegrijpelijk.” [26] [eisers] onderbouwen vervolgens in cassatie niet waarom dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet waarom dat oordeel onbegrijpelijk is. [eisers] hebben enkel in de schriftelijke toelichting [27] vermeld dat “ [eiser 1] op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden heeft verricht met goedvinden van Generali (want door psycholoog [betrokkene 2] geaccordeerd)”, maar hiermee hebben [eisers] nog niet aangevoerd in cassatie dat zij ter zake wel aan hun stelplicht hebben voldaan in die zin dat zij in feitelijke instanties (in tegenstelling tot wat het hof heeft geoordeeld in rov. 4.12) wel degelijk hebben gesteld dat psychologe [betrokkene 2] een door Generali aangewezen deskundige
is in de zin van artikel 25 lid 1 onder Pro d van de Bijzondere Voorwaarden. De (niet onderbouwde) klacht die op laatstgenoemd oordeel van het hof ziet, faalt ook reeds om die reden.
eerste subonderdeel van onderdeel 2faalt derhalve.
tweede subonderdeel van onderdeel 2voeren [eisers] aan dat het hof ten onrechte niet, althans niet kenbaar, in zijn oordeel heeft betrokken dat op Generali “vanwege het zwaarwegende maatschappelijk belang van de verzekering” [28] een verzwaarde stelplicht rust ten aanzien van de schending van de informatieplicht van [eisers] en het door Generali gestelde bedrog, en dat die verzwaarde stelplicht van Generali niet tot gevolg kan hebben dat aan de betwisting door [eisers] ook zwaardere eisen zouden moeten worden gesteld om tot tegenbewijs te worden toegelaten. [eisers] menen dat het hof een te zware maatstaf heeft gehanteerd om [eisers] tot het aangeboden tegenbewijs toe te laten: met het enkele oordeel dat [eisers] te weinig hebben gesteld heeft het hof te hoge eisen gesteld aan de voor [eisers] geldende stelplicht om tot tegenbewijs te worden toegelaten. Bovendien is dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat uit ’s hofs motivering niet blijkt waarom [eisers] niet tot het aangeboden tegenbewijs zouden moeten worden toegelaten. In dat kader stellen [eisers] dat het hof in ieder geval had behoren te motiveren waarom de stellingen van [eisers] nadere onderbouwing behoefden om tot tegenbewijs te kunnen worden toegelaten.
in het kader van hun verweer(en dus de feiten – waartegen zij tegenbewijs willen leveren – onvoldoende gemotiveerd hebben betwist) en ii) dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is. Het
tweede subonderdeel van onderdeel 2faalt derhalve.
derde subonderdeel van onderdeel 2klaagt erover dat het hof heeft verzuimd te motiveren op welke wijze het hof het door Generali bijgebrachte bewijs heeft gewaardeerd. Het hof was daartoe volgens [eisers] gehouden gezien de stelling van [eisers] dat de rapportage van de keuringsarts (ik ga ervan uit dat hiermee “ [betrokkene 3] ” wordt bedoeld) [29] niet correct tot stand is gekomen en waarvoor de keuringsarts ook een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en gezien de stelling dat het observatierapport van de privédetective (ik ga ervan uit dat hiermee “SecureAdvance B.V.” wordt bedoeld) [30] niet is opgesteld conform de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek. Deze onderzoeken hebben volgens [eisers] ten grondslag gelegen aan de beslissing van Generali om de uitkering onder de verzekering te staken. Eerst na het kort geding is Generali volgens [eisers] teruggekomen op haar besluit geen inkomenstoets te verrichten en heeft zij nadere stukken bij [eisers] opgevraagd. [31] Gezien de terughoudendheid waarmee een beroep op opzettelijke schending van de informatieplicht dient te worden beoordeeld, had het hof inzicht moeten geven in de wijze waarop het deze door Generali vergaarde bewijsstukken in zijn oordeel heeft betrokken, aldus [eisers] Dit heeft volgens [eisers] [32] tot gevolg dat het oordeel van het hof, dat [eisers] niet aan hun stelplicht hebben voldaan en er geen plaats is voor tegenbewijs, niet in stand kan blijven.
derde subonderdeel van onderdeel 2kan reeds om die reden niet slagen.
eerste subonderdeel van onderdeel 3) en het oordeel is daarnaast rechtens onjuist indien ervan moet worden uitgegaan dat het hof deze vraag louter aan de hand van de taalkundige betekenis heeft uitgelegd (
tweede subonderdeel van onderdeel 3). Ook indien de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet als consumenten-overeenkomst [34] kwalificeert, dienen de bedingen van de verzekeringsovereenkomst weliswaar meer objectief te worden uitgelegd, maar kan niet uitsluitend op de taalkundige uitleg van die bedingen worden afgegaan, aldus [eisers]
Voor de beoordeling van dit geschil is die enkele vaststelling echter niet voldoende. Het gaat om de vraag of [eiser 1] arbeidsongeschikt is in de zin van de voor hem afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering. Doet die situatie zich voor, dan heeft [eiser 1] wegens het verlies van inkomen door zijn ongeschiktheid recht op een uitkering uit hoofde van de door hem afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering.Een arbeidsongeschiktheidsverzekering dekt naar zijn aard immers dat risico. Dit is in artikel 2 van Pro de Bijzondere Voorwaarden AOV extra ook expliciet vermeld: er moet sprake zijn van een derving van inkomen.” [onderstreping van mij, A-G]
GRIEF 2
De enkele vaststelling, dat bij [eiser 1] sprake is van medische beperkingen is voor de beoordeling van het geschil, dat Generali met inleidende dagvaarding d.d. 2 december 2014 aan de rechter heeft voorgelegd, voldoende.Die vaststelling impliceert, dat [eiser 1] arbeidsongeschikt is in de zin van de litigieuze arbeidsongeschiktheids[-]verzekering. [eiser 1] heeft dan ook wegens verlies van inkomen door zijn ongeschiktheid recht op een uitkering uit hoofde van bedoelde arbeidsongeschiktheidsverzekering.” [onderstreping van mij, A-G]
welvoldoende, waarmee [eisers] met grief 2 derhalve het oordeel van de rechtbank in rov. 4.2. van haar eindvonnis bestrijden dat
het gaat om de vraag of [eiser 1] arbeidsongeschikt is in de zin van de voor hem afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering(om te kunnen komen tot een recht op uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering). Het hof heeft in rov. 4.7 in het kader van grief 2 het volgende overwogen: “Voor zover [eisers] stellen dat de (objectief vast te stellen) medische beperkingen op zich zelf reeds leiden tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis is dit onjuist.”, waarna het de artikelen 3 en 7 van de Bijzondere Voorwaarden citeert en aldus weergeeft wanneer er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis. Het hof heeft daarmee mijns inziens wat de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.2. van haar eindvonnis – en hetgeen met grief 2 door [eisers] is bestreden – willen bevestigen: dat het (vanzelfsprekend wel) gaat om de vraag of [eiser 1] arbeidsongeschikt is in de zin van de voor hem afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het hof heeft dus de stelling van [eisers] , dat de enkele vaststelling van medische beperkingen
op zichzelfreeds leidt tot arbeidsongeschiktheid
in de zin van de polis, verworpen in rov. 4.7 en vastgesteld dat ter zake moet worden gekeken
naarhetgeen partijen zijn overeengekomen in de arbeidsongeschiktheidsverzekering (aangezien het daarin is geregeld) en dus naar de polis. Het hof kon dat doen zonder aan te geven
hoede arbeidsongeschiktheidsverzekering, en meer in het bijzonder het daarin gehanteerde begrip “arbeidsongeschiktheid”, dient te worden
uitgelegd. Dit laatste blijkt overigens ook reeds uit het feit dat [eisers] juist met grief 2 het oordeel van de rechtbank heeft bestreden
dat het gaat om de vraag of [eiser 1] arbeidsongeschikt is in de zin van de voor hem afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering.
eerste subonderdeelen het
tweede subonderdeelvan)
onderdeel 3te falen.