Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Ais het hof met de veroordeling om de boedel van de nalatenschap te brengen in de staat van vóór het vonnis van 22 oktober 2008, getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd. Volgens de klacht strekte de vordering noch vóór noch ná verwijzing tot veroordeling van de Executeur tot het brengen van de boedel in de staat van voor het vonnis van 22 oktober 2008. Vóór verwijzing niet omdat de Executeur toen nog geen partij was. Na verwijzing niet omdat, kort gezegd, de Erven hun vordering niet hebben gewijzigd en enkel tot toewijzing van hun vordering vóór verwijzing hebben geconcludeerd. Die vordering strekte tot veroordeling van
de Vrouw.Over de betekenis van deze vordering in het licht van de omstandigheid dat de Vrouw inmiddels is overleden en de Executeur nu optreedt als partij is niet gedebatteerd en het hof heeft niet gemotiveerd waarom de vordering zoals destijds gericht tegen de Vrouw voor toewijzing tegen
de Executeurin aanmerking kwam.
Nietomdat de Erven daartegen in het eerste cassatieberoep niet zijn opgekomen, want met onderdeel II zijn de Erven daartegen wel opgekomen.
Welomdat dit onderdeel II door uw Raad bij het arrest van 19 september 2014 is verworpen (rechtsoverweging 5.2). Dit kan er echter niet aan afdoen dat onderdeel V van het cassatiemiddel van de Erven in het eerste cassatieberoep door uw Raad gegrond is bevonden (rechtsoverweging 5.3.2) en dat als gevolg daarvan na verwijzing de toewijsbaarheid van de vordering van de Erven onder A (eveneens hiervoor onder 1.4 weergegeven) opnieuw ter beoordeling stond. Het gerechtshof Amsterdam heeft dus de grenzen van de rechtsstrijd allerminst miskend.