Conclusie
1.Overzicht
ietsbinnen is gekomen waaruit de fiscus had kunnen afleiden dat de belanghebbenden hun bestaande eigen-risicodragerschappen wilden voortzetten (en uitbreiden naar WGA-flex). ’s Hofs oordeel dat te late indiening van een volledige en correcte garantieverklaring ‘per definitie’ zou leiden tot ‘verval’ van het eigen-risicodragerschap acht ik dus onjuist.
NTFR2015/695 (zie onderdeel 3.6 van de bijlage) waarop zij zich beroepen. In die zaken was wel degelijk iets (een aanvraag) ingediend vóór termijnverloop, zij het onvolledig, zodat het UWV c.q. de inspecteur ex art. 4:5 Awb Pro gelegenheid tot herstel hadden moeten bieden. In de zaak van de belanghebbenden is geen sprake van garantieverklaringen die bijlagen hadden moeten zijn bij een wél tijdige aanvraag; er was überhaupt geen (nieuwe) aanvraag, kennisgeving, wilsuiting of verklaring jegens de Inspecteur binnen de termijn. In hun geval heeft niet de Inspecteur iets ten onrechte nagelaten, maar hun verzekeraar.
(a)Wfsv (eigen-risicodrager voor de Ziektewet) en niet naar art. 40(1)
(b)Wfsv (eigen-risicodragerschap WGA), lijkt mij niet relevant. Gezien de duidelijke parlementaire geschiedenis, het onmiskenbare doel en systeem van de wet en het onsystematische en contrarationele resultaat van belanghebbendes opvatting (geen enkel rechtsgevolg van termijnoverschrijding, dus ook geen uitbreiding van het eigen risico naar WGA-flex), kan er mijns inziens geen redelijke twijfel over bestaan dat de wetgever in art. 122e(3) Wfsv bedoelde te verwijzen naar art. 40(1)(b) Wfsv en dat de verwijzing naar art. 40(1)(a) Wfsv een schrijffout is die niet de indruk kan hebben gewekt dat termijnoverschrijding zonder gevolgen zou blijven (zou leiden tot het na 1 januari 2017 voortbestaan van het juist
nietmeer bestaanbare eigen-risicodragerschap voor alleen WGA-vast) c.q. zou leiden tot automatische uitbreiding naar WGA-flex.
contra legemzou zijn, verplicht dat het bestuursorgaan niet om nog wat meer tegenwettelijk te handelen op andere terreinen. Aan de aanvaarding van pdf-bestanden kunnen de belanghebbenden slechts het vertrouwen ontlenen dat ook hun verklaringen in pdf-vorm aanvaard zouden zijn als zij tijdig waren ingeleverd. Er is echter niets tijdig ingeleverd.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
NTFR2018/2244, [2] in het cassatieberoep waartegen ik vandaag eveneens concludeer (rolnr. 18/04202) omdat in die zaak één tijdig opgestelde garantieverklaring per ongeluk niet tijdig was ingediend tegelijk met de andere elf wél tijdig ingediende verklaringen, terwijl in het geval van de belanghebbenden de garantieverklaringen niet eens tijdig zijn geregeld. Het beroep op Hof Den Haag
NTFR2015/695 [3] (zie onderdeel 3.6 van de bijlage) is door de Rechtbank verworpen omdat die zaak niet een te laat ingediende garantieverklaring betrof, maar een tijdig ingediende, zij het incomplete aanvraag, zodat art. 4:5 Awb Pro de mogelijkheid bood om die tijdig ingediende aanvraag aan te vullen.
contra legemhandelde door toe te staan dat de verzekeraars de verklaringen digitaal (op usb-sticks) indienen hoewel de wettekst een ‘schriftelijke’ verklaring eist, en dat de Inspecteur daarom ook de mogelijkheid zou moeten bieden om de verklaring (iets) te laat in te leveren.
NTFR2019/476) acht zwak ‘s Hofs argument dat de termijn fataal is omdat werknemers zekerheid moeten hebben of zij privaat- of publiekrechtelijk verzekerd zijn. Voor de werknemer maakt het immers niet uit wie de uitkering betaalt - het UWV of de private verzekeraar - nu de uitkeringsrechten dezelfde zijn. Zij voelt meer voor de benadering van het Hof Den Haag in de bij u onder nr. 18/04202 aanhangige zaak waarin ik vandaag eveneens concludeer. Die benadering voorkomt haars inziens ook veel administratief gedoe.
3.Het geding in cassatie
(a)Wfsv (eigen risico voor de Ziektewet) en niet naar art. 40(1)
(b)Wfsv (eigen risico voor de WGA), zodat aan te late indiening van de garantieverklaringen niet het rechtsgevolg verbonden is van beëindiging van het WGA-eigen-risicodragerschap; en (e) art. 122q Wfsv (de reparatiebepaling) verwijst naar art. 122e(3) Wfsv (dat naar art. 40(1)
(a)Wfsv verwijst), waardoor niet duidelijk is dat het ziet op het WGA-eigen-risicodragerschap; de reparatie geldt bovendien alleen voor werkgevers die geen rechtsmiddel (met alsnog een garantieverklaring) hebben ingesteld tegen de beëindigingsbeschikking.
verweeracht de Staatssecretaris ‘s Hof oordeel dat niet-tijdig overleggen van de garantieverklaring per definitie leidt tot verval van eigen risicodragerschap per 1 januari 2017 in lijn met de wettelijke bepalingen en met de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever. Dat het om een fatale vervaltermijn gaat volgt zijns inziens ook uit de reparatie in art. 122q Wfsv die een afzonderlijke en eenmalige verkorting van de driejaars-wachttermijn van art. 40(4) Wfsv) inhoudt en niet een soepeler omgaan met de indieningstermijn.
(a)Wfsv een kennelijke verschrijving is.
contra legemzou hebben gehandeld door aanvaarding van verklaringen in digitale in plaats van schriftelijke vorm, dat nog niet betekent dat hij ook ter zake van andere dwingende wettelijke bepalingen, zoals die inzake de termijn,
contra legemzou moeten handelen. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof overigens terecht geoordeeld dat niet
contra legemis gehandeld, nu aanlevering van garantieverklaringen op usb-sticks strookt met art. 2:15 Awb Pro.
4.Beoordeling van het cassatieberoep
NTFR2015/695 [6] (zie onderdeel 3.6 van de bijlage). In het algemeen geldt dat een bestuursorgaan, als het een aanvraag onvoldoende concludent acht om de gevraagde beschikking te nemen, een eigen onderzoeksplicht heeft (art. 3:2 Awb Pro), zodat, als het bestuursorgaan meent dat de bij de aanvraag verstrekte documentatie onvolledig is of dat de aanvraag onvoldoende uitsluitsel geeft, het de aanvrager om aanvulling moet vragen. [7]
nietsis ingediend, kan ook niet analoog aan hetgeen art. 4:5 Awb Pro bepaalt voor aanvragen, iets aangevuld worden. Iets dat niet is, kan niet vervolledigd worden. Het kon de inspecteur vóór 17 februari 2017 c.q. vóór ontvangst van de bezwaarschriften van de belanghebbenden niet duidelijk zijn dat zij hun eigen-risicodragerschappen wensten voort te zetten en uit te breiden, zodat hij hen ook niet ex art. 4:5 Awb Pro in de gelegenheid kon stellen een niet-bestaande gebrekkige wilsuiting hunnerzijds alsnog aan te vullen met geldige garantieverklaringen, die kennelijk zelf overigens ook nog niet bestonden tot half februari 2017.
NTFR2015/695 [13] (zie onderdeel 3.6 van de bijlage), waarin wel degelijk binnen de termijn een aanvraag eigen-risicodragerschap voor een concern met vele werkgevers was ontvangen waaruit de inspecteur kon opmaken dat ook voor de betrokken werkgever eigen-risicodragerschap werd aangevraagd, zij het dat de garantie ter zake van (alleen) die werkgever ontbrak. Voor dat geval schreef art. 4:5 Awb Pro dus voor dat de aanvrager in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de aanvraag te vervolledigen, hetgeen de inspecteur ten onrechte had nagelaten. In het geval van de belanghebbenden heeft niet de inspecteur iets ten onrechte nagelaten, maar hun verzekeraar.
ietswas ingeleverd binnen de termijn waaruit op te maken viel dat de inleveraar eigen-risicodrager wilde blijven of worden, zij het dat er ook iets ontbrak. Ook die gevallen verschillen dus van die van de belanghebbenden.
(a)Wfsv (eigen-risicodrager voor de Ziektewet) en niet naar art. 40(1)
(b)Wfsv (eigen-risicodragerschap WGA), geen rechtsgevolg is verbonden aan te late indiening van garantieverklaringen. Hetzelfde geldt huns inziens bij de toepassing van de reparatieregeling van art. 122q Wfsv, die verwijst naar art. 122e(3) Wfsv, waardoor niet duidelijk is dat die verwijzing geldt voor het eigen-risicodragerschap WGA. Zij voeren deze stellingen voor het eerst in cassatie aan, maar nu het om een rechtskundige stelling gaat, lijkt mij daartegen geen bezwaar te bestaan. Gezien de duidelijke parlementaire geschiedenis, het onmiskenbare doel en systeem van de wet en het onsystematische en contrarationele resultaat van belanghebbendes opvatting (geen enkel rechtsgevolg, dus ook geen uitbreiding van het eigen-risicodragerschap naar WGA-flex), kan er mijns inziens geen redelijke twijfel over bestaan dat de wetgever in art. 122e(3) Wfsv bedoelde te verwijzen naar art. 40(1)(b) Wfsv (eigen-risicodragerschap WGA) en dat de verwijzing naar art. 40(1)(a) Wfsv (eigen-risicodragerschap Ziektewet) een schrijffout is. Die verschrijving kan mijns inziens niet de indruk hebben gewekt dat overschrijding van de termijn voor indiening van een garantieverklaring zonder gevolgen zou blijven voor het eigen-risicodragerschap (zou leiden tot het na 1 januari 2017 voortbestaan van het juist
nietmeer bestaanbare eigen-risicodragerschap voor alleen WGA-vast) c.q. desondanks zou leiden tot automatische uitbreiding naar WGA-flex. Die schrijffout kan mijns inziens slechts de indruk van een schrijffout hebben gewekt.
contra legemzou zijn, verplicht dergelijk tegenwettelijk handelen het bestuursorgaan niet om nog wat meer tegenwettelijk te handelen op andere terreinen. Aan de aanvaarding van pdf-bestanden kunnen de belanghebbenden slechts het vertrouwen ontlenen dat ook hun verklaringen in pdf-vorm aanvaard zouden zijn als zij tijdig waren ingeleverd. Er is echter niets tijdig ingeleverd. Ik maak uit art. 3a AWR juncto artt. 2:14(1) en 2:15 Awb juncto de (bijlage bij de) regeling elektronisch berichtenverkeer [14] juncto art. 3.15a Regeling Wfsv (modelbepaling van de garantieverklaring, die
onlinebeschikbaar is [15] en zowel digitaal als op papier ingevuld kan worden) overigens op dat gekozen kan worden tussen een digitale en een schriftelijke inlevering, die in beide gevallen als origineel kan gelden als de originaliteit van de (digitale) verklaring voldoende is gewaarborgd.