Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
punt 1: blijkens het proces-verbaal van de zitting van 25 maart 2019 heeft psychiater [betrokkene 2] verklaard dat betrokkene - in het kader van de verkenning van de mogelijkheid tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging - zelf contact heeft gezocht met een zorgboerderij en dat [betrokkene 2] “niet weet wat daar uit is gekomen”. Omdat betrokkene niet ter zitting aanwezig was vanwege “de in overleg met zijn behandelaar afgesproken korte vakantie” heeft hij daaromtrent niets kunnen verklaren. Ook kan het van belang zijn om het standpunt van mentor [betrokkene 4] op dit punt te horen, aangezien hij tijdens de zitting van 25 februari 2019 heeft verklaard betrokken te willen worden bij het opstellen van de voorwaarden en hij evenmin aanwezig was ter zitting van 25 maart 2019. [5]
punt 2: ter zitting van 25 maart 2019 heeft klinisch psycholoog [betrokkene 5] verklaard omtrent (i) het medicijngebruik van betrokkene en (ii) paranoïde gedachten die nog steeds bij betrokkene aanwezig zouden zijn. Het was volgens het onderdeel voor betrokkene van belang om te kunnen reageren op die verklaringen. Daarnaast staat vast dat betrokkene al meer dan twee maanden op vrijwillige basis in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Volgens het onderdeel was het van belang dat betrokkene in de gelegenheid zou zijn gesteld om daaromtrent te verklaren “wat op dat moment aan de orde is”.
punt 3: de door de rechter gehanteerde redenering, hiervoor weergegeven in 1.5, gaat niet op, nu in het kader van het recht op hoor en wederhoor belangrijk is dat degene voor wie een vrijheidsberoving voor de duur van zes maanden op het spel staat, zèlf in staat wordt gesteld om te reageren op wat er op een zitting wordt gezegd. Het onderdeel stelt dat mr. Geeratz de zitting niet met betrokkene heeft kunnen voorbereiden omdat betrokkene niet wist dat er een zitting was en door zijn bij de behandelaars bekende korte vakantie even niet bereikbaar was. Het onderdeel stelt vervolgens dat betrokkene daardoor mr. Geeratz ook niet heeft kunnen instrueren en dat het niet alleen aan mr. Geeratz kon worden overgelaten om ter zitting verweer te voeren.
punt 4: de geneeskundige verklaring dateert van 1 februari 2019 en was op 25 maart 2019 derhalve meer dan 50 dagen oud. Het is volgens het onderdeel de vraag of de geneeskundige verklaring voldoet aan het bepaalde in art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz in verbinding met art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM en of het tijdsverloop in kwestie niet noodzakelijk maakte dat betrokkene werd gehoord.
punt 5: omdat er op 25 maart 2019 een andere situatie was dan op 25 februari 2019 kon niet worden volstaan met wat betrokkene ter zitting van 25 februari 2019 had verklaard. Betrokkene heeft het recht om bij elke zitting aanwezig te zijn waar het betreft zijn vrijheidsbeneming voor de duur van zes maanden. Ten onrechte is daarvan afgezien toen hij in overleg met de behandelaars een paar dagen voor vakantie op Ameland zat en niet op de hoogte is gesteld van de zitting.
niette verlenen. Ook kan de rechter persoonlijk de gestelde stoornis van de geestvermogens toetsen. Anders dan in vele andere procedures, waarin de rechter degene die het aangaat slechts ‘gelegenheid’ biedt zich omtrent de zaak te uiten, dient de rechter in Bopz-zaken zich derhalve in te zetten om met betrokkene te spreken. [7] Alleen als, zoals het eerste lid van art. 8 het Pro omschrijft, de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, blijft het door de wet beoogde onderhoud achterwege. Deze situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor. In feite kan een hoorzitting overigens ook achterwege blijven als het horen onmogelijk, zinloos of onverantwoord is: alsdan doet zich voor de rechter een situatie van ‘overmacht’ voor.
onbekendis waar een behoorlijk opgeroepen patiënt zich ophoudt en op korte termijn geen duidelijkheid daaromtrent kan worden verkregen, mag de rechter op het verzoek van de officier van justitie beslissen zonder betrokkene persoonlijk te hebben gehoord. [10]
nietop de hoogte was. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat betrokkene zelf behoorlijk is opgeroepen. Dit laatste blijkt ook niet uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 maart 2019, noch uit de overgelegde gedingstukken. Uit genoemd proces-verbaal blijkt wel dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in het psychiatrisch ziekenhuis waar betrokkene op dat moment op vrijwillige basis verbleef. Psychiater [betrokkene 2] heeft echter ter zitting verklaard dat betrokkene op dat moment op Ameland verbleef en dat het niet is gelukt om hem telefonisch te bereiken en op de hoogte te stellen van de zitting. Nu vóór de zitting bekend was waar betrokkene verbleef en ook duidelijk was dat hij op korte termijn weer van vakantie zou terugkeren, [11] had de instelling vóór de zitting van 25 maart 2019 de rechtbank kunnen en naar mijn mening ook moeten verzoeken om een andere datum te plannen voor de voortgezette mondelinge behandeling. Niets stond daaraan in de weg. Nu de rechtbank ter zitting duidelijk is geworden dat betrokkene met toestemming van zijn behandelaar voor korte duur op vakantie was, had zij naar mijn mening de zaak niet buiten zijn afwezigheid mondeling kunnen behandelen en had zij in ieder geval ambtshalve de zitting moeten schorsen teneinde op korte termijn een nieuwe zitting te plannen in aanwezigheid van betrokkene. Met de mededeling ter zitting dat het niet noodzakelijk is dat betrokkene tijdens de voortgezette behandeling aanwezig is, nu hij al is gehoord op het verzoek om een voorlopige machtiging, heeft de rechtbank miskend dat er een maand was verstreken sinds de eerste zitting, dat er in die tijd nieuwe ontwikkelingen waren, dat betrokkene tijdens een voortgezette mondelinge behandeling zijn eerdere verweren kon verduidelijken en aanvullen en dat hij daarnaast ook nieuwe verweren naar voren had kunnen brengen tegen het verzoek tot het afgeven van een voorlopige machtiging. Uit het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling blijkt dat de aanwezigen hebben verklaard omtrent de verschillende aspecten van de bij betrokkene vastgestelde stoornissen, omtrent zijn medicijngebruik en omtrent het vrijwillig verblijf in de instelling. Betrokkene heeft op die verklaringen niet kunnen reageren. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het onderdeel gegrond is en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.