Conclusie
eerste middelheeft betrekking op de verwerping door het Hof van het verweer dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van de wijze waarop de getuigenverklaring van [betrokkene 1] is verkregen. Deze getuige heeft de verdachte op basis van een fotoconfrontatie herkend als degene die hem heeft geslagen en vervolgens [betrokkene 2] met een mes in diens onderbuik heeft gestoken. Het Hof heeft deze getuigenverklaring voor het bewijs gebruikt. De eerste klacht houdt in dat het Hof niet heeft voldaan aan “de responsieplicht ex 359 lid 2 Sv” doordat het onvoldoende, althans onbegrijpelijk, op een bewijsverweer heeft gerespondeerd. De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, althans aan een motiveringsgebrek lijdt, vanwege de wijze waarop het Hof onvoldoende, althans onbegrijpelijk, op het verweer heeft gerespondeerd.
clueskan verraden wie aangewezen zou moeten worden. In deze wist de verbalisant die de fotoconfrontatie heeft verricht niet enkel wie de verdachte was - dit blijkt immers uit het proces-verbaal welke is opgesteld naar aanleiding van de fotoconfrontatie — doch hij was zelf als verbalisant actief betrokken bij het onderzoek in deze zaak. De verbalisant die de foto-confrontatie verrichte was derhalve niet ‘blind’. Nu er geen video of geluidsopnames zijn gemaakt van de confrontatie, valt niet uit te sluiten dat hij de getuige stuurden in de richting van een bepaalde persoon.
“Verder is van belang dat alle personen ongeveer dezelfde gelaatsuitdrukking hebben. Ze moeten allemaal een even schuldig of onschuldig uiterlijk hebben”. Het vorenstaande is neergelegd in het beginsel dat de figuranten qua uiterlijke kenmerken met elkaar vergelijkbaar moeten zijn.
Op het tweede argument waarop het Hof niet uitdrukkelijk is ingegaan, wordt in cassatie geen beroep gedaan. In zoverre merk ik ten overvloede op dat het argument dat “het aantal minimale personen bij een fotoconfrontatie wordt gesteld op 10” niet nader is onderbouwd en geen steun vindt in de literatuur waarnaar in de pleitnota wordt verwezen. [5]
tweede middelklaagt dat het vonnis in strijd met artikel 410 Sv Pro Nederlandse Antillen niet is ondertekend door alle rechters en de griffier omdat op het vonnis drie handtekeningen zijn geplaatst, hetgeen tot nietigheid zou moeten leiden. Hierdoor kan “niet worden nagegaan of gevolg is gegeven aan de vereiste eenparigheid van stemmen, als bedoeld in artikel 395 SvNA Pro, zulks terwijl dit wel aantoonbaar het geval zou moeten zijn nu er sprake is van een zwaardere strafoplegging dan in eerste aanleg het geval was.”