ECLI:NL:PHR:2019:897

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2019
Publicatiedatum
17 september 2019
Zaaknummer
18/01485
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 21 SvArt. 22 SvArt. 23 SvArt. 24 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing raadkamerbehandeling in witwasonderzoek

In deze zaak betreft het een strafrechtelijk onderzoek naar de klager die wordt verdacht van (gewoonte)witwassen via versleutelde telefoons en diensten onder de naam PGP Safe. Tijdens het onderzoek zijn diverse goederen in beslag genomen. De rechtbank Rotterdam heeft het klaagschrift van de klager tot opheffing van het beslag ongegrond verklaard.

De klager verzocht de rechtbank om de behandeling van de raadkamerzitting aan te houden of te schorsen, zodat hij de door het Openbaar Ministerie toegezonden nieuwe stukken kon bestuderen. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de stukken reeds eerder aan de klager bekend waren en de verdediging geacht werd deze te kennen.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht het verzoek tot schorsing heeft afgewezen. De procedurele regels rondom de raadkamer stellen geen specifieke eisen aan een dergelijk verzoek en de afwijzing was niet in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot schorsing van de raadkamerbehandeling afgewezen.

Conclusie

Nr. 18/01485 B
Zitting: 11 juni 2019
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[klager]
De rechtbank Rotterdam heeft op 22 maart 2018 beslist op een klaagschrift in de zin van art. 552a Sv dat strekte tot opheffing van het beslag op verschillende goederen, zoals nader in de stukken omschreven, met een last tot teruggave aan de klager. Dit klaagschrift is door de rechtbank ongegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaak 18/01486 B. Ook in deze zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de klager is cassatieberoep ingesteld en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3.1. De achtergrond van deze beklagprocedure is gelegen in een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer de klager. Dit onderzoek is gericht op versleutelde telefoons en telefoondiensten die onder de merknaam PGP Safe door de klager en een medeverdachte zouden zijn aangeboden aan criminelen. Met deze apparatuur en diensten zouden criminele activiteiten onder de radar van politie en justitie kunnen blijven. De praktijk bleek overigens anders, getuige verschillende strafzaken waarin de PGP-communicatie in handen is gekomen van opsporingsdiensten. Het vermoeden bestaat dat de klager en een medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan (gewoonte-)witwassen. In het onderzoek naar de klager zijn verschillende goederen in beslag genomen.
4. Het
middelklaagt dat de rechtbank het verzoek tot aanhouding dan wel schorsing van de behandeling van de raadkamerzitting in verband met het kunnen kennisnemen van nieuwe stukken ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.
4.1. Het proces-verbaal van de raadkamer houdt voor zover van belang het volgende in:

“De officier van justitie deelt mee:

Ik heb afgelopen week nog enkele stukken doorgestuurd naar de rechtbank en de verdediging, maar ik heb begrepen dat de laatste drie e-mailberichten met daarbij gevoegd exploten, bevelen en processen-verbaal conservatoir beslag de verdediging niet hebben bereikt. Ik zal deze meteen doorsturen.

De voorzitter deelt mede:

Wij hebben deze stukken inderdaad gisteren op 7 maait 2018 ontvangen. Bij de rechtbank was in eerste instantie weinig bekend over deze zaak. Daarom is de officier van Justitie gevraagd naar de achtergrond. Op die vraag heeft de rechtbank de laatste 3 e-mails van het openbaar ministerie ontvangen.

De raadsman deelt mede:

Ik zie dat ik de stukken zojuist per e-mail heb ontvangen, maar ik voel mij er niet prettig bij dat ik ze nog niet heb gelezen. Ik zou deze stukken graag controleren. Ik zou ook graag een schriftelijke reactie van het openbaar ministerie ontvangen op mijn vragen: Wat is allemaal in beslag genomen en waarom zijn de sommige goederen niet teruggegeven? Op de beslaglijsten staat heel veel, veel daarvan is heel summier aangegeven. Er staan diverse Samsung telefoons op de beslaglijst en er zijn Samsung telefoons teruggegeven, maar over welke Samsung telefoons het precies gaat, kan de verdediging niet terughalen en daarom ook niet controleren. Ik verzoek daarom het openbaar ministerie orde te creëren in het dossier. Dan kan ook wat gerichter worden gediscussieerd.

De officier van Justitie deelt mede:

De stukken die niet naar de raadsman waren gestuurd, had klager al geruime tijd in zijn bezit. Ik kan vandaag vertellen ten aanzien van welke goederen waar het klaagschrift op ziet, het openbaar ministerie heeft besloten deze terug te geven. Alles wat in beslag is genomen ten behoeve van de waarheidsvinding houden we nog in beslag en zal gaande weg het onderzoek worden teruggegeven.

De voorzitter deelt mede:

Ten aanzien van het conservatoir beslag heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat dat beslag zal blijven liggen, dit betreft grote hoeveelheden contant geld, girale tegoeden op bankrekeningen en onroerende goederen.

De raadsman deelt mede:

Ik persisteer bij mijn verzoek om de zojuist verzonden stukken door te kunnen nemen. Ik zou het ook praktischer vinden als we kunnen discussiëren aan de hand van een schriftelijke reactie van het openbaar ministerie.

De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad.

De voorzitterdeelt na hervatting van het onderzoek mee dat de rechtbank als volgt heeft beslist.
Het verzoek van de verdediging om de behandeling van de klaagschriften te onderbreken teneinde de zojuist verstuurde exploten, bevelen en processen-verbaal conservatoir beslag te kunnen doorlezen, wijst de rechtbank in dit stadium van liet onderzoek af. Deze extra stukken heeft klager reeds in een eerder stadium ontvangen en zou bij u reeds bekend moeten zijn.”
5. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de behandeling van de klaagschriften te onderbreken om recent toegezonden stukken door te kunnen lezen, afgewezen. De artikelen 21-25 Sv, waarin de procedurele aspecten van de behandeling door de raadkamer zijn geregeld, stellen aan de afwijzing van een dergelijk verzoek geen specifieke eisen. Wel kan de afwijzing in strijd komen met de beginselen van behoorlijke procesorde. [1] Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor. De rechtbank heeft er immers op gewezen dat de klager de stukken al in zijn bezit had en dat deze ook bij de raadsman als bekend moeten worden verondersteld. Daarbij teken ik nog aan dat de in de toelichting op het middel aangehaalde rechtspraak ziet op aanhoudingsverzoeken in het kader van strafzaken. Die rechtspraak is niet simpelweg door te trekken naar de raadkamerprocedure.
5.1.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2129,