Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nieteen ‘general wet area’ in de zin van de overeenkomst is.
onderdeel 1heeft hof ten onrechte aan de hand van de standaard IP56 beoordeeld of sprake is van een ‘general wet area’, omdat in dit geding niet ter discussie staat dat wanneer de MCC-kast in een ‘general wet area’ zou worden geplaatst, deze volgens de overeenkomst tenminste aan de definitie van IP56 diende te voldoen.
specificatiesbevat wat betreft de beschermingsgraad tegen aanraken en indringen van voorwerpen respectievelijk tegen vocht, maar ook
normenmet betrekking tot de vraag onder welke omstandigheden welke specificaties minimaal vereist zijn. Uiteraard kunnen partijen van de bedoelde normen afwijken door ze aan te scherpen (dus een hogere IP-specificatie voorschrijven dan volgens de IP-normen is vereist). Dat partijen zijn overeengekomen dat in geval van plaatsing in een ‘general wet area’ de IP56-specificaties gelden, betekent nog niet per se dat partijen inderdaad een aangescherpte norm zijn overeengekomen. Dat hangt immers af van de vraag wat onder een ‘general wet area’ in de zin van de overeenkomst moet worden verstaan. Het is díé vraag die het hof in rechtsoverweging 3.8 onderzoekt. Het hof is niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
rechtstreeksvolgt dat we voor het begrip ‘general wet area’ te rade moeten gaan bij de norm van IP56. Zó gelezen zou de overweging inderdaad onbegrijpelijk zijn. Paragraaf 2.7.4 verwijst in rechtstreekse zin naar IP56 alleen als
specificatie.De lezing van het middel is echter geheel onaannemelijk. Zou die lezing juist zijn dan zou het hof reeds vanaf rechtsoverweging 3.5 de norm van IP56 centraal hebben gesteld en niet die van een ‘general wet area’ in de zin van de overeenkomst.
normenkunnen worden gebruikt om uit te leggen wat partijen hebben bedoeld met het begrip ‘general wet area’. Ik kan niet inzien dat de aldus begrepen overweging van het hof onbegrijpelijk zou zijn. Vergelijk hiervoor onder 3.6. Ook indien aangenomen moet worden dat [eiseres] bij de klacht belang heeft, treft de klacht dus geen doel.
onderdeel 3is onbegrijpelijk de overweging van het hof dat [eiseres] weliswaar gemotiveerd heeft gesteld dat de MCC-kast in een vochtige omgeving zou worden geplaatst, maar dat zulks niet maakt dat daarom geleverd had dienen te worden conform IP56 en niet conform IP55. Volgens [eiseres] is irrelevant dat [eiseres] niet concreet heeft toegelicht waarom IP55 niet zou volstaan, omdat volgens de voorwaarden in geval van plaatsing in een ‘general wet area’ IP56 diende te worden geleverd en niet IP55.
normvan IP56 gebruikt als een hulpmiddel tot uitleg van het begrip ‘general wet area’. Het onderdeel faalt.
grieven 2 en 3falen.’
onderdeel 4is onbegrijpelijk dat het hof de zogenaamde actielijst uit 2012 (mede) aan zijn oordeel ten grondslag legt. Daarbij verwijst het onderdeel naar stellingen van [eiseres] – volgens het onderdeel betreft het
onbestredenstellingen – volgens welke de zogenaamde actielijst een verkennende, informele inventarisatie is geweest, daterend van een jaar vóór de onderhavige overeenkomst en gericht aan een andere mogelijke opdrachtgever (namelijk Tetra) met het oog op eventuele levering aan deze opdrachtgever en de daarvoor overeen te komen specificaties, terwijl de notitie uitdrukkelijk geen deel uitmaakt van de overeenkomst tussen partijen.
essentieelkarakter dragen, dan geldt het volgende.
hetzelfde projectmet Tetra Melbourne, een derde partner. Uiteindelijk heeft [eiseres] besloten om alleen een samenwerking aan te gaan met [verweerster] .’
waarin is afgesproken om een MCC-kast met een IP-waarde van 55 te plaatsen.(…)’
De MCC-kast is daarbij niet verschoven. Deze is in dezelfde ruimte gebleven als oorspronkelijk met Tetra Melbourne is afgesproken.(...)’
met instemming van Lion.
ontbrekenvan een classificatie van de ruimte waarin de MCC-kast is geplaatst (en niet op het bestaan van een classificatie zonder instemming van Lion). Ik wijs er nog op dat [eiseres] geen klacht heeft gericht tegen de overweging van het hof dat niet [verweerster] , maar zijzelf contractspartij is van Lion en daarom de ‘Supplier’ als bedoeld in par. 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden. In die overweging ligt besloten dat volgens het hof het ontbreken van de bedoelde classificatie een omstandigheid is die voor rekening van [eiseres] is. Kortom, de klacht faalt om meer dan één reden.
tezamendragen, mijns inziens voor vernietiging van het arrest van het hof geen grond bestaat.