ECLI:NL:PHR:2019:960
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs voor gericht schieten met voorwaardelijk opzet
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens poging tot doodslag en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat verdachte op een parkeerplaats in een woonwijk met een vuurwapen op korte afstand op een of meer personen zou hebben geschoten en daarmee bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaardde.
De bewezenverklaring steunde op getuigenverklaringen, het aantreffen van hulzen en een kogel die met het vuurwapen van verdachte waren afgevuurd, en de plaats van het schietincident. De verdachte zou teruggeschoten hebben op drie mannen die op hem schoten. Het hof concludeerde dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij een of meer personen in vitale delen zou raken.
De advocaat-generaal stelde in cassatie dat het hof onvoldoende feiten had vastgesteld om te concluderen dat verdachte gericht en op korte afstand op de mannen had geschoten. De plaats van de hulzen en kogel bij een geparkeerde auto en de afwezigheid van hulzen bij de mannen zelf maakten het oordeel twijfelachtig. Ook was niet duidelijk hoe de verdachte ten opzichte van de auto en de mannen stond.
De Hoge Raad volgde dit oordeel en vernietigde het arrest. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling. De conclusie benadrukt dat voorwaardelijk opzet vereist dat de gedraging zo gericht is op het gevolg dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard, hetgeen hier onvoldoende is vastgesteld.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor gericht schieten met bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op dodelijk gevolg.