Conclusie
1.Inleiding
2.De ontvankelijkheid van het beroep
kantoezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat plaatsvinden.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatie in, maar de schriftuur werd te laat ingediend, namelijk na de termijn van zestig dagen die in de aanzegging was gesteld. De aanzegging was per gewone post naar het buitenlandse adres van de verdachte in Spanje verzonden.
De verdediging betwistte de ontvankelijkheid van het beroep en stelde dat de aanzegging niet voldeed aan de eisen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de EU-rechtshulpovereenkomst, omdat geen bewijs van ontvangst via track-and-trace werd geleverd. De procureur-generaal verwees naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad waarin werd bevestigd dat verzending per gewone post aan een buitenlands adres niet per se aangetekend hoeft te zijn en dat de enkele stelling dat de brief niet is ontvangen onvoldoende is zonder feitelijke onderbouwing.
De conclusie bevat ook een bespreking van een relevante uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Maresti tegen Kroatië, waarin bijzondere omstandigheden tot een schending van het recht op toegang tot de rechter leidden. Deze bijzondere omstandigheden ontbraken in de onderhavige zaak. Ten slotte adviseert de procureur-generaal geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU te stellen, omdat de toepasselijke bepalingen van de EU-rechtshulpovereenkomst duidelijk zijn.
De conclusie luidt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de overschrijding van de termijn en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening van de schriftuur.