Conclusie
middelricht zich met een motiveringsklacht tegen de bewezenverklaring van feit 1 van de dagvaarding met parketnummer 96-138398-16.
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl hij wist dat zijn rijbewijs geschorst en ingevorderd was. De feiten betreffen met name het rijden op 4 juli 2016 te Utrecht, ondanks een eerdere schorsing en invordering van zijn rijbewijs vanwege rijden onder invloed.
De verdachte had op 14 april 2016 verklaard dat hem mondeling was meegedeeld dat zijn rijbewijs vanaf 30 november 2015 geschorst was. Hij stelde echter bij het hof dat hij dacht dat zijn rijbewijs op 4 juli 2016 weer geldig was, mede vanwege het lange tijdsverloop en een recente rechtszaak. Het hof oordeelde dat uit de verklaringen en het dossier kon worden afgeleid dat verdachte op de pleegdatum wist dat zijn rijbewijs geschorst was.
De Hoge Raad overweegt dat de verdachte op 14 april 2016 expliciet door de politie werd herinnerd aan de schorsing en invordering. Het besluit van 30 november 2015 waarin werd medegedeeld dat hij voorlopig niet mocht rijden, is niet betwist ontvangen. De Hoge Raad acht het onvoldoende dat verdachte alleen verklaart dat hij dacht dat zijn rijbewijs geldig was omdat hij er lange tijd niets van had gehoord. Hij had de status kunnen verifiëren bij het CBR of de politie. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte wist dat zijn rijbewijs geschorst was bij het rijden op 4 juli 2016 en verwerpt het cassatieberoep.