Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof in de bijzondere bewijsoverweging in strijd met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft vastgesteld dat in de bewezenverklaarde periode ruim € 26.000,00 contant is gestort op de bankrekening van de verdachte.
3. zij in het tijdvak van 23 mei 2008 tot en met 26 januari 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, voorwerpen, te weten hoeveelheden geld heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.”
Proces-verbaal van bevindingen banken [verdachten] d.d. 2 november 2010 (pg. 4810-4814) i.c.m. de daarbij gevoegde bijlage 3.7, zijnde een geschrift, te weten een overzicht van de stortingen (pg. 4900), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :[...]
Uit deze analyse van de bovengenoemde bankrekeningen bleek mij het volgende:
Tijdens de onderzoeksperiode wordt in totaal een bedrag van € 26.579,49 contant op de bankrekening gestort. Een overzicht van deze stortingen is als bijlage 3.7 bij dit proces-verbaal gevoegd.
ii. Bijzondere bewijsoverweging witwassen.[...]
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit omdat - kort gezegd - verdachte niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er sprake was van uit misdrijf afkomstige gelden. Zij meende dat haar toenmalige partner inkomen uit werk had en is simpelweg naïef geweest.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende geldbedrag en/of goederen afkomstig is/zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat dat geldbedrag en/of die goederen afkomstig is/zijn uit enig misdrijf.
Door de verdediging is het verweer gevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat vorenstaande het geval was.