Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
.”
wettelijke basis” bestaat. De door de rechtbank in het kader van het beroep van [eiser] op art. 6 en Pro art. 8 EVRM Pro gemaakte belangenafweging wordt daarmee op zichzelf niet bestreden, evenmin als het feit dát de rechtbank in dat kader een belangenafweging aanlegt (rov. 5.8.6-5.8.7). Hetzelfde geldt voor de tweede belangenafweging die de rechtbank maakt (rov. 5.8.9-5.8.10).
in accordance with the law’ [20] – valt blijkens vaste rechtspraak van het EHRM uiteen in verschillende deelvereisten. [21] Getoetst moet niet alleen worden of de beperking van het verdragsrecht enige basis heeft in het nationale recht (‘
some basis in domestic law’), maar ook of het nationale recht waarop de beperking berust voldoet aan de door het EVRM gestelde kwaliteitseisen van voldoende toegankelijkheid (‘
accessibility’) en voorzienbaarheid (‘
foreseeablity’). Ook stelt het EHRM wel de eis – al dan niet in het kader van de eis van voorzienbaarheid – dat sprake moet zijn van voldoende bescherming tegen willekeurige inmengingen door de overheid. [22]
law’) [23] door het EHRM niet van een formele, maar van een (autonome en)
materiëleuitleg is voorzien. [24] Deze uitleg houdt volgens het EHRM het volgende in (met de kanttekening dat de uitleg door het EHRM wel in wisselende bewoordingen wordt geduid): [25]
“Law” includes everything that goes to make up the written law, including enactments of lower rank than statutes (…), and the relevant case law-authority (…)”, [26] waarbij het slot ook wel wordt geformuleerd als “
(…) and the court-decisions interpreting them” [27] .
accessibile’) moet zijn. Deze eis houdt in dat de burger op de hoogte moet kunnen zijn van de van toepassing zijnde beperkingsgrondslag: “
(…) the citizen must be able to have an indication that is adequate in the circumstances of the legal rules applicable to a given case”. [32] Aan dit vereiste zal in het algemeen zijn voldaan als de betrokken regels op behoorlijke wijze zijn gepubliceerd. [33]
foreseeable’) moet zijn, betekent dat de burger zich op basis van dit recht een redelijk duidelijk beeld moet kunnen vormen van de beperkingen die zijn gesteld op de uitoefening van zijn vrijheden. [34] De desbetreffende regels moeten zodanig precies zijn geformuleerd dat de burger, met een redelijke mate van zekerheid, kan voorzien wat de rechtsgevolgen van zijn handelen zijn, zodat hij zijn gedrag erop kan afstemmen. Het EHRM verwoordt het als volgt: [35]
the level of precision required of domestic legislation (…) depends to a considerable degree on the content of the law in question, the field which it is designed to cover and the number and status of those to whom it is addressed”. [37]
a measure of legal protection against arbitrary interferences’). Dit brengt volgens het EHRM met zich dat “
the law must indicate with sufficient clarity the scope of any such [legal] discretion conferred upon the competent authorities and the manner of its exercise”. [38]
de gefailleerdeverzoekt om inzage in (het niet-openbare gedeelte van) zijn faillissementsdossier. In dat kader is het volgende van belang.
geen wettelijke grondslag bestaatvoor deze beperking. De stelling dat de rechtbank heeft miskend dat de door haar toegepaste beperking op de in art. 6 lid 1 EVRM Pro en art. 8 EVRM Pro vastgelegde vrijheden niet bij wet is voorzien, wordt namelijk slechts als volgt toegelicht: “
De rechtbank heeft miskend dat de door haar, op grond van afweging van belangen, toegepaste beperking op de genoemde vrijheden, niet bij wet is voorzien. Een dergelijke beperking behoeft immers een wettelijke basis”. Daarmee stelt de klacht alleen aan de orde of er voor de afwijzing van het verzoek van [eiser] een basis is in het nationale recht, zoals vereist door het in art. 8 lid 2 EVRM Pro opgenomen legaliteitsvereiste (‘bij de wet voorzien’) (zie onder 3.10-3.12).
Op zichzelf hebben de curatoren gelijk met hun stelling, dat de tijdsregistraties niet openbaar zijn. Langs de weg van de verslaglegging zal de gefailleerde deze informatie omtrent de urenregistratie dus niet achterhalen.”) en aan het begin van rov. 5.8.9 (“
het verlangen van gefailleerde [eiser] om inzage in de niet-openbare tijdsregistraties”). Die overwegingen zijn in cassatie op zichzelf niet bestreden.
géénonderdeel uitmaken van het faillissementsdossier, zoals de curatoren hebben verdedigd, [46] dan zou de grond ontvallen aan het inzageverzoek van [eiser], dat immers – voor zover in cassatie nog aan de orde [47] – berust op een gesteld recht op inzage in de urenspecificaties als onderdeel van het faillissementsdossier. Bij cassatie zou [eiser] in dat geval reeds daarom geen belang hebben.
wélonderdeel zijn van het faillissementsdossier, heeft
in dit gevalals uitgangspunt te gelden dat deze gegevens tot het niet-openbare gedeelte van dit dossier behoren. Het oordeel van de rechtbank dat de urenspecificaties niet openbaar zijn, wordt in cassatie immers niet aangevochten. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of art. 8 EVRM Pro [48] in deze zaak rechtstreeks van toepassing is en of [eiser] aan die bepaling een recht op inzage in zijn hele faillissementsdossier kan ontlenen. Zo dit al het geval zou zijn, heeft namelijk te gelden dat de hier aan de orde zijnde beperking op dit recht – afwijzing van het verzoek om verstrekking van de urenspecificaties – wel degelijk een ‘wettelijke’ basis heeft, zoals het legaliteitsvereiste van art. 8 lid 2 EVRM Pro voorschrijft. Daartoe geldt het volgende.
eerstebelangenafweging vindt plaats in het kader van het beroep van [eiser] op art. 6 en Pro 8 EVRM, waarbij de rechtbank vooropstelt dat “
in het faillissement van [eiser] (…) niet alleen het belang van de gefailleerde [eiser] [telt], maar (…) ook andere belangen, waaronder zwaarwegende maatschappelijke belangen en de belangen van zijn schuldeisers, gewicht in de schaal [leggen]” (rov. 5.8.6). Vervolgens overweegt de rechtbank dat niet onaannemelijk is dat een of meer ingevolge art. 8 EVRM Pro toegestane beperkingen op de rechten van [eiser], namelijk het economisch welzijn van het land, het tegengaan van strafbaar handelen en legitieme rechten van anderen, in het geding zijn. Dit zijn volgens de rechtbank belangen die, ook in het licht van art. 6 EVRM Pro, “
in dit geval de balans in het nadeel van [eiser] doen doorslaan” (rov. 5.8.7). Bij de daarop volgende
tweedebelangenafweging neemt de rechtbank het door de Hoge Raad in zijn beschikking van 22 september 1995 geformuleerde toetsingskader tot uitgangspunt, zonder daarbij overigens aan deze beschikking te refereren (rov. 5.8.9). Na een afweging van het (volgens de rechtbank niet nader toegelichte) concrete belang van [eiser] bij de gevraagde inzage en de belangen die zich volgens de curatoren tegen inzage verzetten, komt de rechtbank tot het oordeel dat “
ook deze belangenafweging (…) in het voordeel van de curatoren [uitvalt]” (rov. 5.8.10).
tweedeklacht houdt in dat de ter zitting namens [eiser] ingebrachte aanvullende opmerkingen onvolledig zijn weergegeven in rov. 3.3.2 (derde gedachtestreepje) van de bestreden beschikking, omdat [eiser] in zijn pleitaantekeningen in hoger beroep (onder 27) meer heeft doen aanvoeren dan dat de toegang tot het faillissementsdossier afhankelijk is van een belangenafweging en dat de rechter-commissaris die belangenafweging in zijn beschikking niet inzichtelijk heeft gemaakt.
derdeklacht verwijt de rechtbank in strijd met art. 24 Rv Pro niet te zijn ingegaan op “
het hier aangesneden thema”, althans de beschikking onvoldoende te hebben gemotiveerd door niet te overwegen dat de door de rechtbank gevonden beperking wel bij wet is voorzien.
overigens” niet zo voor de hand ligt. Tezamen luiden de overwegingen als volgt (rov. 5.8.5):