ECLI:NL:PHR:2020:1058

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
10 november 2020
Zaaknummer
19/03885
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens ontbreken mondelinge bezwaren

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. In hoger beroep werd hij niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis had opgegeven, zoals vereist in art. 416, tweede lid, Sv. De raadsman van verdachte voerde aan dat de oproeping voor de zitting van 14 november 2018 niet rechtsgeldig was betekend, waardoor verdachte en zijn raadsman niet op de hoogte waren van de zitting.

Het hof oordeelde echter dat de betekening wel rechtsgeldig was geschied en dat verdachte bewust niet was verschenen. Het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank wegens niet-naleving van betekingsvoorschriften werd afgewezen. Ook een verzoek tot aanhouding werd niet gehonoreerd, mede vanwege een vertrouwensbreuk tussen verdachte en zijn raadsman.

De Hoge Raad stelt vast dat het ontbreken van een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en het vonnis in het cassatiedossier niet leidt tot vernietiging, omdat de betekingsstukken wel aanwezig zijn en het hof hierop zijn oordeel baseerde. Omdat na afwijzing van het verzoek tot terugwijzing geen mondelinge bezwaren zijn opgegeven, heeft verdachte onvoldoende belang bij het cassatieberoep en wordt hij niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van mondelinge bezwaren tegen het vonnis.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03885
Zitting6 oktober 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 15 augustus 2019 op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2018.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, mr. P van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1.
Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
adres: [a-straat 1] te [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B. Temeltasch, advocaat te Rotterdam, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De raadsman voert het woord ter verdediging conform de aan het hof overgelegde pleitnotitie, kort gezegd - inhoudende:
Ik verzoek het gerechtshof deze zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat niet is voldaan aan de betekeningsvoorschriften voor de zitting van de rechtbank van 14 november 2018. Mijn cliënt en ik waren derhalve niet op de hoogte van deze zitting. Daar komt bij dat ik wel ben geïnformeerd over het feit dat de zaak op 7 september 2018 niet zou worden behandeld, maar niet dat de zaak op 14 november zou worden behandeld.
De voorzitter deelt mede dat zich in het, dossier een akte van uitreiking voor de zitting van 14 november 2018 bevindt. De dagvaarding is aangeboden aan de [a-straat 1] te [plaats] , het brp-adres van de verdachte. Vervolgens is de akte ter griffie op 8 november 2018, binnen de wettelijke termijn, betekend.
De advocaat-generaal deelt mede dat de raadsman van de verdachte op 19 oktober 2018 is opgeroepen voor de zitting van 14 november 2018.
De raadsman voert het woord ter verdediging, inhoudende:
Indien uw hof geen gronden voor terugwijzing aanwezig acht, verzoek ik u de zaak aan te houden zodat mijn cliënt aanwezig kan zijn ter terechtzitting.
Het hof onderbreekt de zitting voor beraad. Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de betekeningsvoorschriften ten aanzien van de terechtzitting in eerste aanleg in acht zijn genomen en dat er derhalve geen grond voor terugwijzing bestaat.
Ten aanzien van het aanhoudingverzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat dit verzoek wordt afgewezen. Het hof ziet geen reden om de verdachte in de gelegenheid te stellen zijn aanwezigheidsrecht uit te oefenen nu er geen reden voor zijn afwezigheid heden ter terechtzitting is opgegeven.
De raadsman voert het woord ter verdediging, inhoudende:
Ik doe een herhaald aanhoudingsverzoek. Ik weet dat mijn cliënt de uitgesproken wens heeft aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak. Wellicht is er een goede reden voor zijn afwezigheid vandaag en is deze reden ons niet bekend. Mijn cliënt heeft een eenmanszaak en mogelijk is hij door zijn werk verhinderd heden aanwezig te zijn. Mijn cliënt is ondernemer en wil daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgen. Dat zou zijn bedrijf schade toebrengen. Het gaat verder goed met mijn cliënt.
U vraagt mij hoe waarschijnlijk het is dat mijn cliënt op een volgende zitting wel verschijnt. Ik heb de sterke overtuiging dat mijn cliënt dan aanwezig zal zijn.
De advocaat-generaal voert het woord, inhoudende:
Ik zie geen reden om de zaak aan te houden, nu er geen reden voor de afwezigheid heden is opgegeven. Ik verzoek het hof de inhoudelijke behandeling voort te zetten.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad. Na hervatting van het onderzoek deelt de raadsman het volgende mede:
Voordat uw hof de beslissing omtrent het aanhoudingsverzoek uitspreekt, wil ik u graag mededelen dat er sprake is van een vertrouwensbreuk tussen mij en mijn cliënt. Ik ben niet langer gemachtigd. Tijdens de onderbreking heb ik telefonisch contact gehad met mijn cliënt. Hij heeft mij onder meer verteld dat hij er voor heeft gekozen vandaag niet ter terechtzitting te verschijnen.
De advocaat-generaal voert het woord, inhoudende:
Indien de raadsman niet gemachtigd is, geeft de vertrouwensbreuk aanleiding om de zaak aan te houden.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad. Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de zaak niet wordt aangehouden. Uit de mededelingen die zojuist zijn gedaan kan worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van de zitting en dat hij de afweging, heeft gemaakt niet te verschijnen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor. De advocaat-generaal vordert dat de niet verschenen verdachte niet- ontvankelijk wordt verklaard in hoger beroep, nu er geen grieven of bezwaren tegen het vonnis kenbaar zijn gemaakt. De advocaat-generaal ziet geen ambtshalve gronden voor inhoudelijke behandeling van de zaak. De advocaat-generaal legt de vordering aan het gerechtshof over.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof - na kort onderling beraad - terstond uitspraak.”
3.3.
De door de raadsman aan het hof overgelegde pleitnotitie houdt het volgende in:
“Geldigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg
1. Namens zowel cliënt als de verdediging verzoek ik u deze zaak terug te verwijzen naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht. Gelet op de omstandigheid dat cliënt noch de verdediging op de hoogte zijn gebracht noch waren stelt is het onderzoek in eerste aanleg nietig. Daartoe het volgende.
2. Bij dagvaarding van 19 december 2017 is cliënt tegen 28 februari 2018 gedagvaard. In verband met door de verdediging ingediende onderzoekswensen is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris en voor onbepaalde tijd aangehouden.
3. 3. Nadat het onderzoek bij de rechter-commissaris was afgerond is cliënt op 20 juli 2018 opgeroepen tegen de geplande zitting van 7 september 2018. Een week voor de geplande zitting ontving de raadsman op 30 augustus 2018 een emailbericht van de politierechter, mr. Stemker Koster, dat de zitting geen doorgang zou vinden daar de politierechter zich diende te verschonen. Verzocht werd om verhinderdata zijdens de verdediging opdat er een nieuwe zittingsdatum
4. kon worden bepaald (productie 1).
5. 4. Naar aanleiding van voornoemd bericht is cliënt noch diens raadsman op 7 september 2018 verschenen. Nadat het enige tijd stil bleef zijdens het OM vernam cliënt eind maart 2018 dat zijn zaak kennelijk op 14 november 2018 had gediend. Verbazingwekkend, nu cliënt nimmer een oproep voor de zitting heeft gehad. Zijn raadsman heeft evenmin een oproep c.q. kopie van de oproep aan zijn cliënt ontvangen.
5. 5. De raadsman heeft op 1 april 2019 per mail navraag gedaan naar deze gang van zaken en verzocht hem te informeren op welke wijze hij en zijn cliënt zijn opgeroepen (productie 2). Volgens de officier was met betrekking tot de oproeping aan cliënt sprake van een griffiebetekening en verzending aan het voormalige adres. De oproep zou tevens bij brief van 19 oktober 2018 in kopie
6. aan de raadsman zijn verstuurd.
7. 6. Cliënt heeft nimmer een oproep ontvangen en was niet op de hoogte van de zitting. De raadsman van cliënt heeft evenmin een oproep ontvangen. Ook het proces-verbaal van de zitting van 7 september 2018 heeft de raadsman niet ontvangen. Pas nadat navraag werd gedaan heeft de raadsman op 8 april 2019 kennis genomen van genoemd pv.
7. 7. De verdediging merkt uitdrukkelijk op dat uit het dossier niet blijkt dat de oproep aan cliënt daadwerkelijk aan de griffie is betekend, zodat het ervoor gehouden dient te worden dat de oproep niet rechtsgeldig is betekend (590 Sv).
8. 8. Nu van de zitting van 14 november 2018 geen proces verbaal is aangetroffen kan niet worden vastgesteld of op genoemde zitting is onderzocht of de oproepingen geldig zijn betekend. Naar het nu zich laat aanzien was daar geen sprake van.
9. 9. Cliënt noch de verdediging zijn deugdelijk opgeroepen en waren aldus niet op de hoogte van de zitting van 14 november 2018.”
3.4.
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“(…)
VERSTEK
(…)
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep, mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
3.5.
Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat de verdachte niet mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep inhoudt dat de (toen nog) gemachtigde raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd. Dat in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep door het hof opmerkingen zijn gemaakt over de wijze van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg en de advocaat-generaal bij het hof heeft aangevoerd dat de raadsman zou zijn opgeroepen voor de zitting in eerste aanleg, maakt volgens de steller van het middel niet dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, nu een en ander gelet op de afwezigheid van een (uitgewerkt) proces-verbaal van de terechtzitting en vonnis van de rechtbank in eerste aanleg in cassatie niet behoorlijk kan worden nagegaan.
3.6.
Ik stel voorop dat in cassatie niet wordt opgekomen tegen de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek van de verdediging tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank [1] . Dat de grondslag van deze beslissing - het nageleefd zijn van de betekeningsvoorschriften in eerste aanleg - in cassatie niet controleerbaar zou zijn, omdat in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 november 2018 en een (uitgewerkt) vonnis ontbreken, [2] vermag ik niet te zien. Het oordeel van het hof dat de betekeningsvoorschriften in eerste aanleg in acht zijn genomen kan immers worden gecontroleerd aan de hand van de betekeningsstukken in eerste aanleg, welke stukken deel uitmaken van het aan de Hoge Raad toegezonden dossier. Daarbij merk ik op dat hetgeen het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep over de betekening vermeldt overeenstemt met de inhoud van genoemde betekeningsstukken. Met de afwijzing van het verzoek tot terugwijzing is zo bezien niets mis.
3.7.
Over of (nadien) mondelinge bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv, merk ik het volgende op. In het arrest van 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5363 deed zich het geval voor dat de verdachte niet-ontvankelijk was verklaard in zijn hoger beroep op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv. Het procesverloop in deze zaak bestond eruit dat op de eerste terechtzitting in hoger beroep de gemachtigde raadsman van de verdachte geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis had (kunnen) opge(ge)ven en de op een volgende terechtzitting verschenen raadsman zich niet langer gemachtigd voelde wegens het ontbreken van contact met zijn cliënt. Hoewel de gemachtigde raadsman op de eerste terechtzitting niet in de gelegenheid was gesteld om mondelingen bezwaren tegen het vonnis op te geven behoefde dit verzuim volgens de Hoge Raad niet tot cassatie te leiden, omdat hetgeen het hof voor het overige had overwogen - ik begrijp: dat de verdachte op de tweede zitting niet is verschenen en de verschenen raadsman niet langer gemachtigd was - het oordeel van het hof dat de verdachte géén bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en hij op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, zelfstandig kon dragen.
3.8.
Gelet op de juistheid van het oordeel van het hof dat de betekeningsvoorschriften in eerste aanleg zijn nageleefd en in aanmerking genomen dat na de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek tot terugwijzing door de (gemachtigde) raadsman géén mondelinge bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven, meen ik dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het middel.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO, omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het middel.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie over verzoeken tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3021.
2.In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat door de raadsvrouw van de verdachte (mr. P. van Dongen) bij de rolraadsheer het uitgewerkte proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 november 2018 is opgevraagd en dat de rolraadsheer op 8 januari 2020 heeft laten weten dat het opgevraagde stuk geen deel uitmaakt van het cassatiedossier.