ECLI:NL:PHR:2020:1058
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens ontbreken mondelinge bezwaren
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. In hoger beroep werd hij niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis had opgegeven, zoals vereist in art. 416, tweede lid, Sv. De raadsman van verdachte voerde aan dat de oproeping voor de zitting van 14 november 2018 niet rechtsgeldig was betekend, waardoor verdachte en zijn raadsman niet op de hoogte waren van de zitting.
Het hof oordeelde echter dat de betekening wel rechtsgeldig was geschied en dat verdachte bewust niet was verschenen. Het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank wegens niet-naleving van betekingsvoorschriften werd afgewezen. Ook een verzoek tot aanhouding werd niet gehonoreerd, mede vanwege een vertrouwensbreuk tussen verdachte en zijn raadsman.
De Hoge Raad stelt vast dat het ontbreken van een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en het vonnis in het cassatiedossier niet leidt tot vernietiging, omdat de betekingsstukken wel aanwezig zijn en het hof hierop zijn oordeel baseerde. Omdat na afwijzing van het verzoek tot terugwijzing geen mondelinge bezwaren zijn opgegeven, heeft verdachte onvoldoende belang bij het cassatieberoep en wordt hij niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van mondelinge bezwaren tegen het vonnis.