Conclusie
eindbodten bedrage van € 180.000,= uit. Voor deskundigenkosten zijn wij bereid maximaal € 5.000,= te vergoeden. (...) Tevens is de gemeente bereid een inspanningsverplichting op te nemen voor de vraag naar vervangende woonruimte (huur of koop) via woningbouwvereniging Bergopwaarts, waarbij door u een voorkeur is uitgesproken voor het in ontwikkeling zijnde plan ‘ [c-straat] ’. Dit eindbod doen wij gestand tot uiterlijk 15 februari 2011. Graag vernemen wij schriftelijk of u op dit finale bod in wil gaan.”
2.Bespreking van het cassatieberoep
besides the pointis, omdat in onze zaak niet de vraag speelt of [eisers] gerechtvaardigd erop mochten vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen en het (dan ook) niet van belang is of het eindbod van de gemeente alsnog is aanvaard of pogingen zijn gedaan om op basis daarvan tot overeenstemming te komen. Het hof stelt het als uitgangspunt voorop en dat wekt wel enige verbazing in onze zaak. Het gaat, in de woorden van de repliek in cassatie onder 1, langs de kern van het probleem in de onderhavige zaak heen. De grondslag in onze aansprakelijkheidszaak is immers de door [eisers] gestelde schending van [verweerder] zorgplicht door niet of onvoldoende te waarschuwen dat niet gaaf aanvaarden van het “eindbod” door op een (niet ondergeschikt) onderdeel een tegenbod te doen, juridisch geldt als verwerping van het eerdere aanbod van de gemeente, waardoor het risico bestaat dat de gemeente haar bod niet langer gestand doet en dat juridisch ook niet hoeft te doen. Maar dat uit deze vooropstelling van het hof in rov. 3.10 en de daaraan verbonden conclusie zou volgen dat is miskend wat de klacht aanvoert, berust volgens mij op een verkeerde lezing van rov. 3.10. Op zich vormt de vaststelling dat in onze zaak niets naar voren is gekomen op grond waarvan je zou moeten zeggen dat er een situatie is ingetreden dat het eindbod alsnog is aanvaard of dat gepoogd is dat te doen volgens mij geen miskenning dat de zorgplicht van [verweerder] (mogelijk) meebracht dat hij zich ervan had moeten vergewissen of duidelijk was voor [eisers] dat een niet (onverkort) aanvaarden van het bod van de gemeente tot gevolg kon hebben dat alsnog geen overeenkomst tot stand zou komen. Het uitgangspunt dat het hof in rov. 3.10 hanteert, behelst ook niet een vorm van toerekening van kennis van [verweerder] aan [eiseres 1] , zoals de klacht aandraagt.
geaccepteerd, juridisch kwalificeerde als een
verwerpingwegens het niet volledig aanvaarden van het aanbod van de gemeente en daarom tot gevolg zou hebben dat dit voorstel van de gemeente verviel.
subonderdeel 3.Bdaaraan toe dat het hof zijn oordeel dat het voor [eisers] redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat het niet zonder meer aanvaarden van het voorstel van de gemeente het risico behelsde dat uiteindelijk een slechter resultaat zou worden geboekt en [verweerder] [eisers] daarom niet behoefde te waarschuwen, onvoldoende heeft gemotiveerd door niet kenbaar de volgende stellingen van [eisers] mee te wegen:
informed consenthebben gegeven. Eén van de kernstellingen van [eisers] in deze aansprakelijkheidszaak is dat het daaraan ontbrak, omdat zij onvoldoende
informedzijn door [verweerder] over de mogelijke juridische consequenties van het niet perfect aanvaarden van het eindbod van de gemeente (en dat is ook niet zo raar, want [verweerder] had dit zelf klaarblijkelijk ook niet helder op zijn netvlies, nu hij meende dat nadien nog (onder protest) gerepareerd kon worden, zodat het eindbod van de gemeente niet van tafel zou zijn). [eisers] stellen dat het aan [verweerder] is te wijten dat zij niet voldoende beseft hebben wat er juridisch gebeurde toen namens hen een gedeeltelijk tegenvoorstel werd gedaan op het eindbod van de gemeente, namelijk: verwerping van het eindbod van de gemeente. Dan kan het wel zijn dat er nadien nog is dooronderhandeld, uiteindelijk valt de gemeente juridisch terug op de regel uit art. 6:225 lid 1 BW Pro en dáárvoor, voor die ultieme consequentie is niet gewaarschuwd door [verweerder] . Dàt lijkt mij de doorslag te moeten geven in onze aansprakelijkheidszaak met als grondslag schending zorgplicht opdrachtnemer, waar daarentegen het hof veel meer op het spoor zit van: je hebt nooit gaaf aanvaard of willen aanvaarden, je had nog zes punten die geregeld moesten worden, de concept-tekst van de reactie is je voorgelegd, er is nog dooronderhandeld, gelet op het hele voortraject en als deelnemer aan het economisch verkeer behoorde je te beseffen dat het niet gaaf aanvaarden van het eindbod risico’s op een slechter resultaat in zich droeg, zodat die hele waarschuwingskwestie in het midden kan worden gelaten. Met het oordeel dat in dit geval wel duidelijk was dat het voorstel van de gemeente een eindbod was en geen uitnodiging tot verder onderhandelen mist het hof de essentie van de zaak, namelijk: wisten [eisers] wat het tegenvoorstel juridisch betekende en had [verweerder] daarvoor als adviseur moeten waarschuwen? Ik denk dat het hofoordeel in de specifieke omstandigheden van deze zaak juridisch zo niet in stand kan blijven, althans is het zo dat op dit punt essentiële stellingen niet voldoende kenbaar en inzichtelijk in het oordeel zijn betrokken. Anders geformuleerd: het is in de kern in onze zaak niet zozeer van belang of [eisers] wisten wat een “echt eindbod” inhield, het gaat erom of zij zich als leken op dit terrein van verwervingsonderhandelingen met de overheid in een minnelijk traject voorafgaand aan mogelijke onteigening, waartoe zij professionele bijstand hadden ingehuurd van [verweerder] , realiseerden dat een reactie met een gedeeltelijke aanvaarding en een gedeeltelijk tegenbod op een niet ondergeschikt punt juridisch geldt als een verwerping van het aanbod van de gemeente met als risico dat dat hele bod, dus ook het “gedeeltelijk aanvaarde” deel van de baan is. Dat is typisch juridisch-technische aanbod- en aanvaardingsmaterie waarvoor een adviseur als [verweerder] , die zich professioneel inlaat met begeleiding van dit soort onderhandelingen in onze zaak voor [eisers] , betrekkelijke leken op dit terrein als [eisers] behoort te waarschuwen, om te waarborgen dat zij hun
informed consentkunnen geven. Ik denk dan ook dat het arrest niet in stand kan blijven. Na verwijzing zal alsnog aan de orde dienen te komen de door [verweerder] opgeworpen causaal verband kwestie en de door hem gestelde afwezigheid van schade, waar hij bij s.t. 42 nog op wijst en waar het hof niet aan is toegekomen.