Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Tegen [verweerster] B.V. is verstek verleend.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1kan de beslissing niet in stand kan blijven, omdat de kantonrechter zonder motivering is voorbijgegaan aan het in de akte na conclusie na enquête gedaagde opgenomen verzoek van [eiseres] om heropening van het getuigenverhoor. Gelet immers op het feit dat de kantonrechter het getuigenverhoor niet heeft heropend, dient in cassatie veronderstellenderwijs te worden aangenomen dat hij het verzoek daartoe van [eiseres] (impliciet) heeft afgewezen, aldus het subonderdeel. Het eindvonnis bevat daaromtrent geen (begrijpelijke) motivering, zodat zijn oordeel onbegrijpelijk is, mede in het licht van de onderbouwing van dat verzoek die [eiseres] in par. 28 t/m 35 van de akte na conclusie na enquête gedaagde heeft gegeven, zodat het vonnis niet voldoet aan het vormvereiste van art. 80 lid 1 onder Pro a RO.
wel eens de gewenste duidelijkheid c.q. de waarheid (...) kunnen verschaffen” [6] en kunnen verklaren dat ook zij, als oud-collega en dus eveneens voormalig werkneemster van [verweerster] , is vertrokken met ruzie. Daarmee heeft [eiseres] (al dan niet impliciet) gesteld dat haar zienswijze, die erop neerkomt dat zij ten gevolge van de ruzie tussen haar partner en de directeur van [verweerster] op stel en sprong moest vertrekken en kon fluiten naar haar laatst verdiende loon over de maand september 2014, door het horen van getuige [betrokkene 5] kon worden bekrachtigd. In elk geval heeft [eiseres] (al dan niet impliciet) gesteld dat een verklaring van [betrokkene 5] afbreuk zou kunnen doen aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen aan de zijde van [verweerster] . [7] In het licht daarvan kon de kantonrechter volgens het subonderdeel niet zonder (nadere) motivering voorbijgaan aan het voormelde verzoek van [eiseres] .
Van der Woude/Nedlloyd [8] en de beschikking
Lidl/Achmea [9] . Tevens wordt, met name ter toelichting op subonderdeel 1.2, gesteld dat is voldaan aan de opvatting van Asser dat het verzoek tot heropening dient te worden gemotiveerd. [10]
Van der Woude/Nedlloyd, dat – evenals in deze zaak – een verzoek tot heropening van het getuigenverhoor betrof, oordeelde de Hoge Raad eerst dat een getuigenverhoor kan worden heropend, ook als geen sprake is van nova of bijzondere omstandigheden (rov. 3.3). Vervolgens schetste de Hoge Raad de volgende regels:
Lidl/Achmeawas de vraag aan de orde of een afgesloten voorlopig getuigenverhoor kon worden heropend. De Hoge Raad herhaalde hierin de hiervoor genoemde regels en verklaarde deze regels vervolgens ook van toepassing op het voorlopig getuigenverhoor. Daaraan werd nog de overweging toegevoegd dat, gezien de doeleinden van het voorlopig getuigenverhoor, ook andere redenen dan de waarheidsvinding kunnen meebrengen dat na de sluiting nog getuigen worden gehoord.
een op het geval toegespitste afwegingvan het belang van een voortvarende procesvoering en het belang van de waarheidsvinding dient plaats te vinden. Bij die afweging speelt het onderwerp van de bewijslevering nog steeds een rol. Hoewel het leveren van tegenbewijs in contra-enquête van rechtswege vrij staat, gaat het daarbij om tegenbewijs met betrekking tot het aan de wederpartij opgelegde probandum. [14] Vanwege de door de rechter te verrichten afweging van het belang van de voortgang van de procedure en
het belang van de waarheidsvindingkomt dus in belangrijke mate betekenis toe aan het verband tussen de toelichting van het verzoek om heropening van de contra-enquête en de inhoud van de bewijsopdracht aan de andere partij. De eventuele verklaring van [betrokkene 5] is, gezien de door [eiseres] gegeven toelichting, niet ter zake doende en zal dus niet aan het te leveren tegenbewijs in contra-enquête kunnen bijdragen. In de verwijzingsprocedure zal daarom niet anders kunnen worden overwogen dan dat het belang van de waarheidsvinding niet in het geding is bij afwijzing van het verzoek om heropening van de contra-enquête.