“1. Het ingevulde formulier ‘Concept aangifte voor winkeliers’, dat op 27 januari 2016 is ondertekend door beveiligingsbeambte [betrokkene 1] (pagina’s 7 tot en met 10 (inclusief de achterzijde van pagina 9) van politiedossier A), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
Er is sprake van winkeldiefstal. De gestolen goederen zijn weergegeven op de bij dit formulier gevoegde bon. [Het hof begrijpt dat het gaat om de bon die als pagina 11 deel uitmaakt van politiedossier A, welke pagina aan deze aanvulling is gehecht.]
Het feit vond plaats op 27 januari 2016 in het [A] -filiaal op het adres [a-straat 1] in [plaats] . De persoon die wordt verdachte van het gepleegde feit is [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 [het hof begrijpt: de verdachte].
Ik heb de verdachte in de winkel aangesproken. In haar boodschappenmandje zaten twee producten. Haar tas was vrij dik. Toen ik haar vroeg of ze ook spullen in haar tas had, ontkende ze dit. Na enig aandringen haalde ze haar tas leeg. Op de tas had ze een sjaal gelegd, zodat het niet opviel dat de tas gevuld was.
2. De verklaring van getuige [betrokkene 2] van 27 januari 2016, weergegeven op een blad dat deel uitmaakt van het onder 1 genoemde formulier (pagina 10 van politiedossier A), voor zover inhoudende:
De verdachte met een collectief winkelverbod voor het gehele winkelcentrum liep in de winkel. In het mandje lagen slechts twee producten. Op aandringen van de beveiliging kwamen er diverse artikelen uit haar tas. Zie hiervoor de bon. [Het hof begrijpt dat het gaat om de genoemde bon op pagina 11 van politiedossier A.]
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ten overstaan van de politierechter op de terechtzitting van 11 augustus 2016:
[Pagina’s 8 en 9 van het desbetreffende proces-verbaal]
In verband met het ten laste gelegde onder parketnummer 16-652057-16 verklaar ik dat ik spullen in de tas had gedaan en dat ik op dat moment nog niet voorbij de kassa was.
4. Het ingevulde formulier ‘Aanzeggen Collectief Winkelverbod’ dat op 11 december 2015 is ondertekend door [betrokkene 1] (pagina 25 van politiedossier A), voor zover inhoudende:
Uitgereikt aan: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980.
Met ingang van 11 december 2015 wordt de genoemde persoon voor de duur van 12 maanden de toegang ontzegd tot alle aangesloten winkels gelegen in winkelcentrum [B] in [plaats] . De aangesloten winkels zijn herkenbaar aan de sticker zoals afgebeeld op dit formulier.
Het formulier is ondertekend door “ [verdachte] ” (het hof begrijpt: de verdachte.)
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ten overstaan van het hof op de terechtzitting van 26 april 2019:
In verband met het ten laste gelegde onder parketnummer 16-652057-16 verklaar ik dat ik de winkel ben binnengegaan vanuit de parkeergarage onder winkelcentrum [B] .
6. Het proces-verbaal van verhoor van 27 januari 2016 (pagina’s 16 tot en met 19 van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte:
V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte
V: Op 11 december 2015 is jou een ontzegging voor alle winkels in winkelcentrum [B] in [plaats] uitgereikt. Deze ontzegging heeft een geldigheidsduur van één jaar, is door jou ondertekend en daarna aan je uitgereikt. Vandaag, 27 januari 2016, heb je die ontzegging overtreden.
A: Ik wist dat ik niet in winkelcentrum [B] mocht komen.
7. Het proces-verbaal van bevindingen van 28 januari 2016, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland (pagina 28 van politiedossier A), voor zover inhoudende:
Naar aanleiding van de aanhouding van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980, ter zake van winkeldiefstal en huisvredebreuk heb ik een onderzoek ingesteld naar het collectief winkelverbod.
In winkelcentrum [B] wordt gewerkt met winkelverboden. Bij meerdere winkeldiefstallen in het winkelcentrum krijgt de betrokkene een collectief winkelverbod. Dit collectieve winkelverbod is door mij op 3 november 2014 uitgereikt aan de verdachte. Hierbij heb ik haar duidelijk uitgelegd dat zij een collectief winkelverbod heeft gekregen en dat, indien zij zich bevindt in een van de winkels binnen winkelcentrum [B] , zij zich schuldig maakt aan huisvredebreuk. Zij heeft het collectief winkelverbod ondertekend en ontvangen.
In het collectief winkelverbod wordt vermeld dat de sticker op de deur van de winkel moet zitten. [Het hof begrijpt dat het verbod enkel geldt in winkels waarvoor geldt dat op de deur een bepaalde sticker is bevestigd.]
8. Het proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2017 met proces- verbaalnummer PL0900-2016028992-9, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende:
Ik heb [verdachte] een winkelverbod uitgereikt [het hof begrijpt: op 3 november 2014]. Ik heb haar duidelijk uitgelegd dat zij gedurende de genoemde periode niet in de winkels van winkelcentrum [B] mag komen. Onder dit winkelcentrum bevindt zich een parkeergarage. Dit heb ik haar mondeling medegedeeld.
Op de vraag of, wanneer men de parkeergarage inkomt, het duidelijk is dat deze deel uitmaakt van het winkelcentrum, kan ik antwoorden dat bij elk van de ingangen duidelijk is weergegeven dat men de parkeergarage van winkelcentrum [B] inrijdt. Bij elk van de ingangen staat: “Welkom in [B] ”. Indien men vanuit de parkeergarage richting het [A] -filiaal loopt, komt men bij de ingang. De deur bij het [A] -filiaal bevat een sticker waarop staat dat men winkeldieven een winkelverbod geeft.
Indien men vanaf de Markt komt en het [A] -filiaal binnenloopt, passeert men een bord met daarop de tekst ‘Ingang [B] ’.
Ook op andere plaatsen waar men [B] kan betreden, zijn de huisregels weergegeven op de deuren van winkelcentrum. Hierop is telkens vermeld dat er wordt gewerkt met het winkelverbod.
Ik heb de verdachte het winkelverbod bij het uitreiken duidelijk uitgelegd. Zij gaf toen aan te begrijpen wat dit inhoudt.”