ECLI:NL:PHR:2020:1113
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in ontnemingszaak wegens niet-indienen middelen
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 24 april 2019 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd waarin aan betrokkene de verplichting werd opgelegd tot betaling van €42.000,- als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn ingediend bij de Hoge Raad. Hierdoor kan hij niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen op grond van artikel 437, tweede lid, Sv.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van betrokkene in het cassatieberoep. Er bestaat samenhang met andere ontnemingszaken van medeverdachten, waarin eveneens geen middelen zijn ingediend.
De zaak betreft uitsluitend de procedurele vraag of het cassatieberoep ontvankelijk is, niet de inhoudelijke beoordeling van het ontnemingsvonnis.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.