ECLI:NL:PHR:2020:1113

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
23 november 2020
Zaaknummer
19/02116
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in ontnemingszaak wegens niet-indienen middelen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 24 april 2019 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd waarin aan betrokkene de verplichting werd opgelegd tot betaling van €42.000,- als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn ingediend bij de Hoge Raad. Hierdoor kan hij niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen op grond van artikel 437, tweede lid, Sv.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van betrokkene in het cassatieberoep. Er bestaat samenhang met andere ontnemingszaken van medeverdachten, waarin eveneens geen middelen zijn ingediend.

De zaak betreft uitsluitend de procedurele vraag of het cassatieberoep ontvankelijk is, niet de inhoudelijke beoordeling van het ontnemingsvonnis.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02116 P
Zitting6 oktober 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 24 april 2019 het jegens de betrokkene gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 januari 2017 met aanvulling van gronden bevestigd. Bij dat vonnis heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 42.000,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak en ontnemingszaken van de medeverdachten (19/02119, 19/02118 P, en 19/02285 P). [1] In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.In de ontnemingszaak van deze medeverdachte zijn geen middelen ingediend.