Conclusie
1.Het cassatieberoep
Iraqi High Tribunal’) valse arrestatiebevelen laten uitvaardigen tegenover de aangever, de toenmalige schoonzoon van de verdachte, en diens broer (feit 3). De reden hiervoor was gelegen in een echtscheidingsconflict tussen de dochter van de verdachte en de aangever. De verdachte wilde met de arrestatiebevelen druk op zijn (toenmalige) schoonzoon uitoefenen om deze ertoe te bewegen te scheiden van zijn dochter en de geschilpunten te regelen op de wijze waarop verdachte dat wilde. Door de arrestatiebevelen zijn zowel de (toenmalige) schoonzoon van de verdachte als diens broer daadwerkelijk in hun vrijheid beperkt en hebben zij gedurende langere tijd onder de (dreiging van) de druk van het bestaan van deze arrestatiebevelen moeten leven. De aangever werd ‘aangehouden’ door de Nederlandse politie (feit 1), zijn broer door de Iraakse politie (feit 2).
2.De procesgang
terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal)’’
(…)
In februari 2012 ben ik in Nederland met het arrestatiebevel uit Irak geconfronteerd en ben ik in Brabant gecontroleerd. Ik heb meer dan twee uur vastgestaan omdat ik gesignaleerd zou staan op verzoek van de Iraakse autoriteiten.
(…)
10. Een proces-verbaal chronologie onderzoeksbevindingen rondom Irakees arrestatiebevel d.d. 13 maart 2013 van de politie, Korps Landelijke Politiediensten, met nr. 30-278790. Dit proces-verbaal houdt onder 'meer in - zakelijk weergegeven - (blz . 435 e.v.) :
De vraag die zich hier voordoet is of aangever op 19 februari 2012 van zijn vrijheid beroofd is geweest. Uit het dossier kan worden afgeleid dat er nooit een aanhouding heeft plaatsgevonden. In het dossier bevind zich ook geen proces-verbaal hiervan. Op grond van artikel 54 lid 2 Sv Pro mag dan worden uitgegaan dat er ook geen aanhouding is verricht want anders had dit schriftelijk in een proces-verbaal moeten worden vervat. Er zijn echter slechts mutaties opgemaakt in het politiesysteem vanwege de door de politie omschreven onwerkbare situatie. De in de tenlastelegging opgenomen aanhouding heeft dus nooit plaatsgevonden. Ook geen poging daartoe, nu hiervoor een juridische basis ontbrak.
Dat houdt in dat ten aanzien van verdachte een bewezenverklaring dient te volgen ter zake:
Uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen volgt dat het [aangever] als gevolg van het politieoptreden op 18 februari 2012 niet vrij stond zich te verwijderen van de plaats waar hij was stil gezet met zijn voertuig. Doel was kennelijk [aangever] voor te geleiden voor de daartoe bevoegde autoriteiten naar aanleiding van de signalering op grond van het interpolsysteem in het nationale politiesysteem. Het is immers de officier van dienst die besluit hem om 01:51 uur te laten vertrekken.
(…)
Verweer inzake het ontbreken van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever]
[aangever] heeft op 19 februari 2012 toen hij in Brabant-Noord met een op zijn naam gestelde auto reed, een stopteken van de politie gekregen, waarna zijn auto is stilgezet en klemgezet met assistentie van zeven politieagenten en meerdere politievoertuigen. Op grond van het proces-verbaal waarin dit stilzetten is gerelateerd is de aanleiding hiervoor geweest het bevragen van het kenteken van de auto waarin [aangever] reed naar aanleiding van opvallend rijgedrag door de bestuurder van deze auto. De tenaamgestelde van deze auto stond als volgt gesignaleerd:
latenvertrekken. [aangever] heeft ook gezegd dat hij langere tijd heeft vastgestaan in Brabant.
In het vorengaande is reeds overwogen dat het jegens [aangever] uitgevaardigde internationale arrestatiebevel vals is. Hieruit volgt de wederrechtelijkheid van de vrijheidsberoving naar aanleiding van het bevel.
3.Het middel
4.Beoordeling van het middel
feitelijksprake is geweest van ‘aanhouden’, acht ik, gelet op de vaststellingen van het hof en dienaangaande uit de bewijsvoering volgt, geenszins onbegrijpelijk. In elk geval is de bewezenverklaring dat sprake is geweest van wederechtelijke vrijheidsberoving toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik op dat ook zonder de gewraakte zinsnede de bewezenverklaring voldoende feitelijk is en kan worden gekwalificeerd als wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in art. 282 Sr Pro.