Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
centre of main interests) – wordt gedoeld op de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is. Bij vennootschappen of rechtspersonen wordt de COMI vermoed te zijn gelegen ter plaatse van de statutaire zetel. Voor een natuurlijke persoon die als zelfstandige een bedrijfs- of beroepsactiviteit uitoefent, wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, de COMI vermoed de plaats van diens hoofdvestiging te zijn. Voor elke andere natuurlijke persoon wordt de COMI vermoed diens gebruikelijke verblijfplaats te zijn. Zolang deze vermoedens niet worden weerlegd, is het gerecht van de lidstaat waar de genoemde plaatsen zich bevinden, bevoegd om een insolventieprocedure jegens de schuldenaar te openen.
Onderdeel 1voert vier klachten aan tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof. De eerste klacht (onder 1.1) betoogt dat voor zover het hof zijn beslissing heeft gestoeld op art. 3 InsVo Pro jo. art. 2 lid 2 Fw Pro, deze beslissing onjuist is indien het hof hiermee zou hebben geoordeeld dat niet relevant is het antwoord op de vraag waar de COMI van de schuldenaren is gelegen. De tweede klacht (onder 1.2) betoogt dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof niet zelf feiten en omstandigheden heeft vastgesteld op grond waarvan de COMI in Nederland is gelegen. Verder wordt geklaagd dat de schuldenaren in feitelijke instantie hebben betwist dat de COMI in Nederland is gelegen.