ECLI:NL:PHR:2020:1162

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
7 december 2020
Zaaknummer
19/04227
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 81.1 ROArt. 36f SrArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging met mes en aanpassing sanctie schadevergoedingsmaatregel

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, gepleegd op 31 juli 2018. Het hof legde een taakstraf van 80 uur op, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een schadevergoedingsmaatregel met vervangende hechtenis.

De feiten betreffen een conflict tussen vader en dochter waarbij de verdachte met een mes in de hand de politieagent bedreigde. De agent voelde zich bedreigd en trok zijn vuurwapen. Het hof achtte bewezen dat de verdachte een dreigende situatie had gecreëerd waardoor de redelijke vrees voor zwaar letsel of de dood kon ontstaan.

De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van een dreigende houding richting de agent en dat de verdachte geen opzet had. Het hof verwierp deze verweren en bevestigde de bewezenverklaring. De Hoge Raad verwierp het eerste middel dat tegen de bewezenverklaring was gericht.

Het tweede middel betrof de sanctie van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad oordeelde dat sinds 1 januari 2020 vervangende hechtenis niet meer kan worden opgelegd bij schadevergoedingsmaatregelen en dat gijzeling als dwangmiddel moet worden toegepast. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de vervangende hechtenis betreft en bepaalde dat gijzeling kan worden toegepast.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en bevestigde daarmee de veroordeling.

Uitkomst: Veroordeling bevestigd; vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel vervangen door gijzeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/04227
Zitting27 oktober 2020
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 11 september 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of bedreiging met zware mishandeling” [1] , veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof beslist op een vordering van een benadeelde partij en de verdachte dienovereenkomstig een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld.
1.2.
Het gaat in deze zaak om de volgende door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden. Op 31 juli 2018 kwam bij de meldkamer van de politie een melding binnen van een conflict tussen vader en dochter in een huis. Hierbij zou de vader bewegingsloos op de grond liggen. [verbalisant 1] , hondengeleider van de politie, werd ook naar het adres gestuurd en kreeg onderweg mee dat de vader inmiddels was opgestaan en in het bezit was van een mes. [verbalisant 1] belde aan op het adres en zag een schim in de richting van de voordeur lopen en de voordeur openen. [verbalisant 1] zag toen de verdachte met ontbloot bovenlichaam en bloed op zijn gezicht. Hij had een mes in zijn hand en liep met zijn armen en handen langs zijn lichaam en het mes enigszins met de voorzijde in de richting van [verbalisant 1] . Zij stonden ongeveer twee meter van elkaar af. [verbalisant 1] sommeerde de verdachte meerdere malen het mes te laten vallen. Toen de verdachte dit niet deed trok [verbalisant 1] zijn vuurwapen. Hierop liet de verdachte het mes vallen. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring en het tweede middel ziet op de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

2.Het eerste middel

2.1.
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat bij de aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en/of zwaar zou worden mishandeld, niet zonder meer begrijpelijk is, omdat het hof niets heeft vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte met het mes bewegingen in de richting van de aangever heeft gemaakt, dan wel dit mes bedreigend heeft voorgehouden of anderszins heeft vastgesteld dat hij voornemens was dit mes te gaan gebruiken jegens de aangever.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 31 juli 2018 te [plaats] [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door dreigend met een mes richting die [verbalisant 1] te lopen.”
2.3.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2018 (pg. 3 en 4), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(Pg- 3)
Op dinsdag 31 juli 2018 omstreeks 17.30 uur reed ik over de [a-straat ] te [plaats] . Ik was in uniform gekleed, volledig bewapend en reed in een opvallende politiehondenbus.
Ik hoorde via de mobilofoon dat de meldkamer een eenheid stuurde naar de [b-straat 1] te [plaats] . Hier zou een conflict zijn tussen vader en dochter en de vader zou bewegingsloos op de grond liggen.
Ik verzocht de meldkamer om mij ook aan te sturen met mijn roepnummer (0040). Met gebruik van O en G (optische- en geluidssignalen) ging ik die richting op. Onderweg hoorde ik dat de meldkamer doorgaf dat de man weer op stond en een mes had.
Hierna liep ik naar de woning [b-straat 1] te [plaats] . Ik zag dat het een woning was, bestaande uit één laag (begane grond). Ik zag dat de (rode) voordeur was voorzien van ribbelglas.
Ik belde aan en ik zag een schim van een persoon in de woning in de richting van de deur lopen. Ik zag dat bedoelde persoon de voordeur opende. Ik zag dat de persoon, zijnde een manspersoon, een ontbloot bovenlichaam had en een blauw broekje droeg. Ik zag dat hij bloed aan zijn gelaat had. Ik zag meteen dat hij in zijn hand een mes had, zwarte handgreep met zilveren lemmet. Ik zag dat hij in mijn richting liep met het mes in zijn hand. Ik zag dat de man een gespannen houding had en het mes stevig vast hield. Ik zag dat hij zijn armen en handen langs zijn lichaam had en ik zag dat het mes enigszins met de voorzijde in mijn richting wees.
Daar ik vreesde dat hij mij wat met het mes wilde aandoen, sommeerde ik hem op duidelijke wijze in de Nederlandse taal het mes te laten vallen.
Toen hij dit niet deed trok ik onmiddellijk mijn vuurwapen en stapte achteruit en richtte het vuurwapen op zijn bovenlichaam.
Ik besefte maar al te goed dat als de man op me in was gelopen dat ik gericht had moeten schieten om het gevaar mogelijk af te wenden. Ik voelde mij zeer bedreigd. Ik was ervan overtuigd dat hij met (
het hof begrijpt: mij) wilde neersteken. De afstand tussen mij en de persoon schat ik op dat moment minder als 2 meter.
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 31 juli 2018 (pg. 5 en 6), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [verbalisant 1] :
Pg- 5)
Hierbij doe ik aangifte terzake bedreiging, gepleegd op dinsdag 31 juli 2018 op de [b-straat 1] te [plaats] . Vandaag was ik werkzaam als hondengeleider voor de Regio Limburg en was in uniform gekleed en verplaatste mij per opvallend politiedienstvoertuig. Ik, verbalisant, reed vandaag, dinsdag 31 juli 2018 omstreeks 17.30 uur, over de [a-straat ] en hoorde via de mobilofoon dat een patrouille van [plaats] aangestuurd werd naar de [b-straat 1] te [plaats] in verband met een conflict tussen vader en dochter. Hierbij zou de vader bewegingsloos op de grond liggen. Ik verzocht het Operationeel Centrum (O.C.) van de politie Limburg om mij ook aan te sturen en onderweg kreeg ik mee dat de vader inmiddels opgestaan was en in het bezit was van een mes. Die dag omstreeks 17.40 uur kwam ik op de [b-straat ] .
Ik belde aan op dit adres (
het hof begrijpt: het adres [b-straat 1] te [plaats]) en ik zag dat het een woning was met enkel een begane grond. Ik zag dat de voordeur voorzien Was van ribbelglas. Nadat ik had aangebeld zag zag ik een schim in de richting van de voordeur lopen en ik zag dat de voordeur door deze persoon geopend werd. Ik zag toen dat het een manspersoon betrof met ontbloot bovenlichaam en gekleed in een blauw broekje. Ik zag meteen dat deze man in een van zijn handen een mes vasthield voorzien van een zwarte handgreep en zilveren lemmet. Ik zag dat onze onderlinge afstand ongeveer 2 meter was maar meteen nadat de man de voordeur opende stapte hij in mijn richting en kwam op mij afgelopen.
Op dat moment was de afstand tussen de man en mij minder dan 2 meter. Ik voelde me op dat moment zeer bedreigd en deed een stap achteruit en greep naar mijn vuurwapen en richtte dat op de borst van de man. Op dat moment besefte ik heel goed, dat wanneer de man met het mes op mij afgelopen was ik had moeten schieten. Ik sommeerde meerdere malen dat de man het mes moest laten vallen.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2018 (pg. 7 t/m 9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Pg- 7)
Hoedanigheid
Op dinsdag 31 juli 2018 waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , belast met incidentenafhandelingen in de regio [plaats] . Wij waren gekleed in het politie-uniform.
Melding
Op dinsdag 31 juli 2018, omstreeks 17.35 uur, kregen wij van het Operationeel Centrum te Maastricht de melding, om samen met de hondengeleider met roepnummer 0040, te rijden naar de [b-straat 1] te [plaats] . Volgens de medewerker van het Operationeel Centrum zou er in de woning een ruzie zijn geweest tussen dochter en vader, daarbij zou de vader op de grond liggen en niet meer bewegen. Tijdens het aanrijden kregen wij het bericht van het Operationeel Centrum dat de vader ondertussen was opgestaan en de dochter wilde neersteken.
Ter plaatse
Op dinsdag 31 juli 2018, omstreeks 17.43 uur, kregen wij portofonisch te horen dat de hondengeleider ter plaatse was en contact had met de later genoemde verdachte [verdachte] . Wij hoorden dat de hondengeleider aangaf dat de verdachte met een mes voor hem stond bij de voordeur. Wij hoorden dat de hondengeleider zijn vuurwapen getrokken had en richtte op de verdachte. Wij arriveerden enkele seconden later op de [b-straat ] ter hoogte van huisnummer [b-straat 1] . Wij zagen dat de hondengeleider zijn vuurwapen getrokken had en het wapen richtte op de verdachte. Wij zagen dat de hondengeleider op ongeveer twee meter afstand van de verdachte stond. Wij zagen dat de hondengeleider buiten de woning stond ter hoogte van de voordeur van huisnummer [b-straat 1] .
Wij zagen dat de verdachte bloed op zijn gezicht had zitten en een ontbloot bovenlichaam had. Wij hoorden van de hondengeleider dat de verdachte het mes had laten vallen. Wij zagen dat er in de centrale gang ter hoogte van de voordeur een mes lag met een zwart handvat en een zilverkleurig lemmet.
Aanhouding
Op dinsdag 31 juli 2018, om 17.45 uur, hielden wij de verdachte aan ter zake bedreiging.
Pg- 8)
Inbeslagname mes
Ik, [verbalisant 3] , heb op dinsdag 31 juli 2018 om 17.50 het mes welke door de verdachte was gebruikt in beslag genomen. Het mes betrof een 'steakmes' van ongeveer 21 centimeter lang. Het mes heeft een zwart handvat van ongeveer 10 centimeter en een zilverkleurig lemmet.
Gesprek met dochter
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , ben vervolgens in gesprek gegaan met de dochter van de verdachte. Ik zag dat deze dochter zich, op ongeveer 80 meter van de woning, bij de genoemde personenauto bevond. De dochter legitimeerde zich middels een Nederlands paspoort als:
- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] . -
De dochter vertelde mij dat zij vandaag bij haar vader op bezoek was gegaan. Het viel haar hierbij direct op dat haar vader onder invloed van alcohol was. Zij vertelde mij dat hij al lange tijd geen alcohol meer had gedronken, maar dat zij wist dat haar vader heel lastig kan zijn wanneer hij alcohol heeft gedronken. In de woning heeft zij getracht haar vader te helpen met de mobiele telefoon, hier kon hij namelijk niet meer mee bellen. Op het moment dat zij met T-Mobile aan de lijn hing, begon haar vader plots heel hard te schreeuwen en te tieren. Hierop heeft zij de verbinding met T-Mobile verbroken. Vlak hierna ontstond er een ruzie met haar vader welke resulteerde in wederzijds duw en trek werk. Ik hoorde dat dat [betrokkene 1] aangaf dat zij 'haar mannetje wel stond' en dat haar vader uiteindelijk viel en even bleef liggen maar al snel weer opstond. Vervolgens vertelde zij mij dat haar vader een mes wilde pakken. Hierop is zij uit angst uit de woning gevlucht. Vervolgens heeft zij de politie gebeld welke al snel ter plaatse kwam.
Vaststelling identiteit verdachte
Wij hebben de verdachte, voordat wij deze naar de politieauto transporteerden, gevraagd of hij een geldig legitimatiebewijs in zijn bezit had. De verdachte gaf aan dat zijn identiteitskaart in de bovenste la van het dressoir in de woonkamer lag. Tevens zou hier de huissleutel van zijn woning liggen. Met toestemming van de verdachte heb ik, [verbalisant 3] , deze identiteitskaart en de huissleutel van de genoemde plek opgehaald. Middels deze identiteitskaart stelden wij vast dat de verdachte betrof: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] .
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2018 en de daarbij gevoegde foto (pg. 30 en 31), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op dinsdag 3 1 juli 2018 te 17:50 uur zijn bij [verdachte] een goed inbeslaggenomen. Na onderzoek daarvan is het volgende naar voren gekomen.
Wapenomschrijving:
Object: Mes
Bijzonderheden: Steakmes.
Het mes is in totaal 21 centimeter lang. Het lemmet is 11 centimeter lang en heeft 1 snijkant. Deze snijkant is gekarteld.
Als bijlage is bij dit proces-verbaal gevoegd:
- Foto van het mes.
5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 1 augustus 2018 (pg. 22 t/m 26), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
(pg- 23)
V: Vraag/opmerking verbalisanten;
A: Antwoord verdachte.
(Pg- 24)
V: Wat is gisteren in de woning gebeurd tussen u en [betrokkene 1] ?
A: Ik weet niet hoe laat [betrokkene 1] kwam. [betrokkene 1] was mijn nieuwe telefoon aan het instellen. Ik zat op de bank en [betrokkene 1] zat op de stoel. Ik weet dat [betrokkene 1] een beetje aan het stressen was over de telefoon. [betrokkene 1] kreeg veel whats-appjes op haar telefoon. [betrokkene 1] gooide op een gegeven moment mijn telefoon over de tafel. Ik vroeg waarom ze zo reageerde. En op een gegeven moment ging de knop om. Toen [betrokkene 1] in de stress schoot, kon ik de onmacht niet verdragen. Ik vroeg me bij mezelf af waarom ze zo reageerde tegen mij. [betrokkene 1] sloeg mij met een vuist tegen de linker slaap. Er ontstond een worsteling, ik sloeg ook terug. Ik heb ook teruggeslagen. Er werd over en weer geslagen.
V: Wat kunt u zich na de worsteling herinneren?
A: [betrokkene 1] was weg.
V: U zit op de bank en toen?
A: Op een gegeven moment gaat de bel. Ik dacht dat [betrokkene 1] aan de deur stond, ik dacht dat ze mogelijk iemand erbij gehaald had. Ik had gewoon een keukenmes in de hand.
V: Hoe zag het mes uit?
A: Het was een soort fileermes. Het is zilverkleurig.
V: Wij tonen de verdachte een foto van het in beslag genomen mes (het hof begrijpt: het bij de verdachte in beslag genomen mes, dossierpagina 30, dat is gefotografeerd, dossierpagina 31).
A: Ja, lijkt op een mes dat ik heb.
(Pg- 25)
V: Hoe groot schat u de afstand tussen u en de politieagent toen u de deur opende? A: Ik moet als eerste de deur naar mij toe openmaken. Dat is al zo'n 90 centimeter. Dan staat de politieagent ongeveer een meter van de voordeur af. Ik schat de afstand tussen ons dus zo'n 2 meter.”
2.4.
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten):

Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Door en namens de verdachte is betoogd dat verdachte niet in de richting van verbalisant [verbalisant 1] is gelopen, maar juist naar achteren is gestapt. Daarbij was het mes niet naar [verbalisant 1] gericht en blijkt niet dat verdachte stekende of zwaaiende bewegingen maakte. Onder die omstandigheden kon bij [verbalisant 1] volgens de raadsman redelijkerwijs niet de vrees ontstaan dat verdachte hem iets zou aandoen met het mes, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.
Voorts is gesteld dat verdachte geen opzet had op de bedreiging van [verbalisant 1] , eveneens reden waarom verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Het hof is van oordeel dat de stelling van de verdediging dat verdachte niet richting verbalisant [verbalisant 1] is gelopen wordt weerlegd door de hiervóór weergegeven bewijsmiddelen.
Voorts overweegt het hof als volgt. Om tot een bewezenverklaring ter zake van bedreiging te kunnen komen is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en/of zwaar zou worden mishandeld. Daarvan kan reeds sprake zijn indien de dader een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd, dat de vrees van het slachtoffer voor geweld van de dader gerechtvaardigd is.
Het hof is van oordeel dat bij verbalisant en aangever [verbalisant 1] in de gegeven omstandigheden, inhoudende dat:
- verdachte de deur opende met daarbij een mes in zijn hand;
- hij een bebloed gezicht had en ontbloot bovenlichaam;
- er een melding was geweest dat er in de woning een ruzie was geweest tussen dochter en vader (hof: verdachte) en de vader een mes had;
- verdachte zich met het mes in de hand richting [verbalisant 1] bewoog;
- verdachte het mes niet op het eerste verzoek van [verbalisant 1] daartoe op de grond liet vallen, sprake was van een dergelijke dreigende situatie, waardoor bij verbalisant [verbalisant 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte hem iets zou aandoen met dat mes. Het hof gaat dan ook aan het verweer van de raadsman voorbij.
Bovendien geldt dat verdachte, door op deze manier de deur te openen met een mes in zijn hand, daarmee in de richting te lopen van [verbalisant 1] en het mes niet op het eerste verzoek daartoe op de grond te laten vallen, minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] zich bedreigd zou voelen. Het hof verwerpt daarmee ook het verweer dat verdachte geen opzet had op de bedreiging van [verbalisant 1] .”
2.5.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling dan wel bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen dan wel het leven zou kunnen verliezen. [2] Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte met de hiervoor weergegeven omstandigheden een dermate bedreigende situatie heeft gecreëerd, dat bij aangever [verbalisant 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte hem iets zou aandoen met het mes. Dat oordeel is, gelet op de bewijsvoering van het hof daaromtrent, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat, zoals in de schriftuur wordt gesteld, het hof geen vaststellingen heeft gedaan die erop neerkomen dat de verdachte van plan was om het mes te gaan gebruiken jegens de aangever. Dat is voor bedreiging niet vereist, waar het om gaat is of bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan.
2.6.
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1.
Het middel bevat de klacht dat het hof bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van benadeelde partij [verbalisant 1] vervangende hechtenis heeft opgelegd.
3.2.
De op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) [3] heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die net als de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren. In HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarmee sprake is van een verandering in de regels van sanctierecht die ten gunste van de verdachte werkt en die met onmiddellijke ingang moet worden toegepast.
3.3.
Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] tot het bedrag van € 345,00 ter zake van immateriële schade toegewezen en aan de verdachte dienovereenkomstig een schadevergoedingsmaatregel met vervangende hechtenis opgelegd. Deze beslissing houdt – voor zover van belang – in:

BESLISSING
Het hof:
(…)
Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 345,00 (driehonderdvijfenveertig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2018 tot aan de dag der voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 345,00 (driehonderdvijfenveertig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2018 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.”
3.4.
Op grond van het voorgaande slaagt het middel.

4.Conclusie

4.1.
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Over de bewezenverklaring en kwalificatie wordt niet geklaagd. Het hof heeft bewezen verklaard en gekwalificeerd ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling’. Een alternatieve bewezenverklaring is toelaatbaar indien de keuze uit de beide alternatieven voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezen verklaarde niet van belang is, vgl. HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691. Daarvan lijkt in dit geval op zichzelf wel sprake te zijn. Maar het hof heeft beide alternatieven ook cumulatief bewezen verklaard en gekwalificeerd. Bij een op art. 285 Sr Pro toegesneden tenlastelegging zijn de aan de daarin genoemde onderdelen echter niet als cumulatief op te vatten. Omdat hierover verder niet wordt geklaagd, laat ik dit punt verder rusten.
2.HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.
3.Wet van 22 februari 2017,