Conclusie
1.Feiten
[…]/[…], heeft [eiser] bij e-mail van 28 augustus 2013 [de maatschap] verzocht om procesbijstand te verlenen en heeft [de maatschap] op 30 augustus 2013 een opdrachtbevestiging toegezonden. De Hoge Raad heeft het door [de maatschap] in die zaak ingestelde cassatieberoep gegrond bevonden. [2] [de maatschap] heeft voor de in dit dossier verrichte werkzaamheden op 16 juni 2015 aan [eiser] een declaratie gestuurd van € 10.430.82. [3] Ook deze factuur is onbetaald gebleven.
2.Procesverloop
[…]/[…](zie hiervoor, 1.4) tot in totaal € 16.391,86 (plus rente en kosten).
het hof) in hoger beroep gekomen. [eiser] heeft vijf grieven aangevoerd. [de maatschap] heeft verweer gevoerd. [5]
[…]/[…]niet zou hoeven te voldoen. Ten eerste zou hij voor de door [de maatschap] zelf verrichte werkzaamheden niet hoeven te betalen omdat mr. H.H.M. [de maatschap] ten tijde van de behandeling van die zaak niet langer bevoegd was op te treden als cassatieadvocaat als gevolg van de inwerkingtreding per 1 juli 2012 van de Wet versterking cassatierechtspraak. [6] Ten tweede zou [eiser] niet voor werkzaamheden van de door [de maatschap] ingeschakelde cassatieadvocaat, [betrokkene 1], hoeven betalen omdat hij er door [de maatschap] niet van in kennis was gesteld dat zij [betrokkene 1] om bijstand had gevraagd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
/ […]. [9] In deze e-mails is [betrokkene 1] niet ingekopieerd, noch wordt daarin over hem, of het voornemen hem in te schakelen, gerept. Daarnaast heeft [eiser] verwezen naar een e-mail van [betrokkene 1] van 18 mei 2017 aan de betreffende cliënt, waarnaar het hof in de eerste zin van rov. 9.7.5. verwijst. [10] Pas uit deze e-mail – en dus enkele jaren later – zou [eiser] begrepen hebben dat [betrokkene 1] (destijds) door [de maatschap] was ingeschakeld.
[…] / […].
[…]/[…]geen cassatieadvocaat meer was. Deze stelling is door het hof in rov. 9.7.3. verworpen (zie hiervoor, 2.7). De tweede grondslag is dat [de maatschap] de inschakeling van [betrokkene 1] heeft verzwegen, onder verwijzing naar de e-mails waarin [betrokkene 1] niet is ingekopieerd (hiervoor, 3.3). Die stelling is door het hof in rov. 9.7.5. verworpen, tegen welk oordeel onderdeel 1 vergeefs opkomt. Dat het hof in deze passages in de memorie van grieven niet de stelling heeft ontwaard dat art. 7:405 lid 2 BW Pro ook toepassing zou missen als [eiser] wel wetenschap had gehad van de inschakeling van [betrokkene 1], is niet onbegrijpelijk. Bij die stand van zaken mist het verwijt dat het hof niet op die (beweerdelijke) stelling heeft gerespondeerd feitelijke grondslag.