Conclusie
Artiestenverloningenvan 11 december 2015 [1] over een louter beschrijvende domeinnaam bestaat er over deze kwestie verdeeldheid in de vakliteratuur.
1.Feiten en procesverloop
Artiestenverloningen), in een geschil over botsende domeinnamen, geoordeeld dat het gebruik van een louter beschrijvende aanduiding, ook indien verwarringwekkend, alleen onrechtmatig is indien bijkomende omstandigheden dat meebrengen (rov. 5.7).
Parfumswinkel) [5] geoordeeld dat de door de Hoge Raad in zijn arrest van 11 december 2015 geformuleerde regel voor domeinnamen ook van toepassing is op louter beschrijvende handelsnamen (rov. 5.8).
Artiestenverloningennaar eerdere rechtspraak van de Hoge Raad volgt niet, althans niet eenduidig, dat de in dat arrest geformuleerde regel ook zou gelden in de context van art. 5 Hnw Pro (rov. 5.9 -5.11). Voor handelsnamen is, anders dan voor domeinnamen, een specifiek wettelijk toetsingskader voorhanden (rov. 5.12).
Artiestenverloningenook geldt voor handelsnamen die in zekere mate, maar niet louter beschrijvend van aard zijn (rov. 5.13).
2.Algemeen kader: de bescherming van handelsnamen
lightversie. Kenmerkend voor andere wetten en verdragen op het terrein van de intellectuele eigendom is dat zij
exclusieve rechtentoekennen aan IE-rechthebbenden en dat zij de inhoud van die rechten – als inperkingen van het beginsel van de vrije concurrentie – min of meer nauwkeurig omlijnen. [15] De Handelsnaamwet stelt geen formele eisen aan de handelsnaam (vgl. art. 1 Hnw Pro). Hierin schuilt een kenmerkend verschil met het merkenrecht, dat slechts bescherming toekent aan als zodanig ingeschreven merken, die de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen. [16] Merken die elk onderscheidend vermogen missen worden niet ingeschreven, respectievelijk nietig verklaard. [17] De door de Handelsnaamwet geboden bescherming is vergeleken met een merkrecht laagdrempelig: inschrijving en instandhouding daarvan is niet nodig en daarvoor hoeven dus ook geen kosten te worden gemaakt. [18]
Lindenbaum/Cohenuit 1919, [21] nog geen geldend recht vertegenwoordigde. [22] Uitgaande van een legistisch onrechtmatigheidsbegrip, zoals bekend uit het arrest
Zutphense waterjuffrouwuit 1910, [23] had een wettelijk verbodsstelsel duidelijke meerwaarde. Tegenwoordig wordt wel betoogd dat de Handelsnaamwet weinig toevoegt aan de casuïstische bescherming die het leerstuk van de onrechtmatige daad (in samenhang met art. 3:296 lid 1 BW Pro) in handelsnaamgeschillen te bieden heeft. [24]
aanvullende rechtsbeschermingworden geboden in geschillen die buiten het kader van de Handelsnaamwet vallen. De Handelsnaamwet bevat dus geen uitputtende regeling. [25] De benadeelde kan terugvallen op het algemene leerstuk van ‘aanhaken’ dat in de rechtspraak tot ontwikkeling is gekomen op basis van de thans in art. 6:162 lid 2 BW Pro verankerde zorgvuldigheidsnorm. Het gaat daarbij om gevallen van oneerlijke mededinging die hierdoor worden gekenmerkt dat de dader beoogt te profiteren van andermans bedrijfsdebiet. Daarbij geldt als hoofdregel dat zulk profiteren niet op zichzelf onrechtmatig is, maar dat dit slechts onder bijkomende omstandigheden onrechtmatig kan zijn. Met name waar de dader
nodeloosaanhaakt bij het product c.q. de naam van een ander, met als uitsluitend doel om die concurrent te benadelen en/of diens klanten te misleiden, kan onrechtmatigheid worden aangenomen. Men spreekt in dit verband (vooral in de context van productvormgeving) over ‘slaafse nabootsing’. [26]
jonger merk [27] of van een
jongere domeinnaam. [28] De vraagstelling in deze zaak is toegespitst op twee conflicterende handelsnamen.
dreigende verwarringtussen de betrokken ondernemingen en (ii)
causaal verbandtussen die dreigende verwarring en het voeren van de verboden handelsnaam (‘dientengevolge’). [29]
verwarringsgevaarvolstaat. Voor het aannemen van verwarringsgevaar is niet voldoende dat de handelsnamen identiek zijn of gelijkenis vertonen (wat art. 5 Hnw Pro óók vereist). Waar het om gaat, is of het relevante
publiekde betrokken ondernemingen met elkaar
dreigtte verwarren of associëren. [31] Dit bleek al uit een arrest uit de beginjaren van de Handelsnaamwet, waarin het ging om twee hotels in Rotterdam die ieder de naam ‘Hotel Central’ droegen. De Hoge Raad liet het oordeel van de rechtbank in stand, dat inhield dat verwarringsgevaar ontbrak omdat de hotels ‘van zeer verschillend gehalte’ waren (“
het eene een eenvoudig burgerlogement gehouden in een bovenhuis aan een weinig aanzienlijke straat, het andere een groot geheel modern ingericht hotel aan een hoofdstraat”), en dat een eventuele verwarring bij het publiek niet van blijvende aard kon zijn. [32]
aard van de ondernemingen. Hoe meer de ondernemingsactiviteiten verwant zijn, hoe groter de kans op verwarringsgevaar is. Het tweede in art. 5 Hnw Pro genoemde gezichtspunt betreft de
vestigingsplaats(en)van de betrokken ondernemingen. De wetgever lijkt, bij wijze van ideaaltype, te zijn uitgegaan van de situatie waarin ondernemingen slechts lokale bekendheid genieten in of rondom hun vestigingsplaats. [35] Enkele vroege arresten van de Hoge Raad getuigen van diezelfde, toen kennelijk vanzelfsprekend geachte benadering, waarin de handelsnaam een geografisch afgebakend beschermingsbereik heeft. [36] Verwarringsgevaar deed zich in de visie van de wetgever slechts voor in een specifieke context, binnen een naar plaats en aard van de betrokken ondernemingen beperkte kring. [37] De rechtspraak kent voorbeelden waarbij een geschil over een handelsnaam is ontstaan naar aanleiding van de wijziging van de vestigingsplaats van een bedrijf. [38]
a prioribuiten de door art. 5 Hnw Pro geboden bescherming. Anderzijds wordt betoogd dat het vereiste van verwarringsgevaar, zoals neergelegd in art. 5 Hnw Pro, impliceert dat de ingeroepen handelsnaam iets ‘eigens’ moet hebben, om tot verwarring bij het publiek te kunnen leiden. [40] Dat eigene kan ontstaan door bekendheid bij het publiek.
a prioriieder onderscheidend vermogen missen, in de loop der jaren alsnog een zodanige bekendheid bij het publiek kunnen verwerven, dat zij worden herkend en geassocieerd met een bepaalde onderneming.
taalkundigezin ingeburgerd raken: niet als naam, maar als beschrijvende aanduiding), waardoor zij haar aanvankelijk onderscheidende vermogen verliest. In feite is dan sprake van verwatering [42] waarin het probleem van monopolisering van de taal zich oplost. De beschikking
Bouwcentrumuit 1987 biedt van het voorafgaande een voorbeeld. De Hoge Raad verenigde zich met het oordeel van de rechtbank dat verwarringsgevaar ontbrak, omdat het woord ‘bouwcentrum’ dat beide partijen in hun handelsnaam voerden, vergeleken met de situatie in 1946 (toen het oudste ‘Bouwcentrum’ werd opgericht) tot het algemene spraakgebruik was gaan behoren. Gegeven die taalkundige ontwikkeling oordeelde de Hoge Raad dat het belang van Bouwcentrum om te kunnen optreden tegen handelsnamen waarin het woord ‘bouwcentrum’ voorkwam, moest wijken voor het belang van concurrenten die dat woord “
in zijn algemeen gebruikelijk geworden betekenis in hun handelsnaam willen – en gezien de overige elementen van die naam: zonder verwarringsgevaar kunnen – opnemen”. [43] Zo kunnen er in het ‘leven’ van een handelsnaam kantelpunten zijn.
Freihaltebedürfnis’, [49] vertaald als ‘vrijhoudingsbehoefte’.
tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of tijdstip van vervaardiging van de waren of van verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten”. [52] Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie wordt met deze weigeringsgrond een doel van algemeen belang nagestreefd, namelijk dat zulke tekens of benamingen
“door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt”. Dit algemeen belang impliceert dat “
alle tekens of benamingen die kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, voor alle ondernemingen vrij beschikbaar blijven zodat zij deze tekens en benamingen kunnen gebruiken om dezelfde kenmerken van hun eigen waren te beschrijven”. [53]
naar den aard van hun werk in het bijzonder kenmerken”. Het zuiver beschrijvende deel ‘nachtveiligheidsdienst’ mocht in de handelsnaam van Van Jeveren blijven staan. In een principieel opgezet cassatiemiddel werd namens Van Jeveren betoogd dat uit het samenstel der bepalingen der Handelsnaamwet volgt dat de handelsnaam “
onderscheidend moet zijn voor den koopman of de handelszaak”. De procureur-generaal koos in zijn conclusie een casuïstische benadering. Na te hebben vooropgesteld dat het geheel en al van de omstandigheden moet afhangen of het gebruik van een overeenstemmende handelsnaam kan worden verboden, overwoog hij dat de rechtbank in dit geval en onder de gegeven omstandigheden verwarringsgevaar kon aannemen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep onder verwijzing naar de conclusie. Annotator Meijers concludeerde hieruit dat “
een soortnaam zeer goed deel van een handelsnaam [kan] zijn.” [57]
world wide web’ genieten in potentie alle ondernemers met een website meer dan lokale bekendheid. In de tweede plaats is de aantrekkingskracht van beschrijvende handelsnamen – gebruikt als domeinnamen – vergroot: anders dan in de fysieke winkelstraat genereren op internet vaak juist non-descripte (zoek)termen klandizie. In de derde plaats kunnen domeinnamen, anders dan handelsnamen, maar door één onderneming tegelijk worden gebruikt. [63] De behoefte aan taalkundige variaties op beschrijvende aanduidingen (‘boekwinkel.nl’, ‘boekenwinkel.nl’, ‘boekwinkeltje.nl’, ‘boekwinkeltjes.nl’) is daardoor toegenomen. Het behoeft geen betoog dat hierdoor ook het verwarringsgevaar in potentie is vergroot.
domeinnamenafstand genomen van het verwarringsgevaar als enig doorslaggevend criterium voor de toelaatbaarheid van beschrijvende aanduidingen.
Artiestenverloningenging het om twee ondernemingen die zich bezighielden met het verzorgen van de loonadministratie van en voor artiesten, onder branchegenoten bekend als ‘artiestenverloning’. Artiestenverloningen B.V. vorderde op grond van art. 6:162 BW Pro een verbod van het gebruik van de domeinnaam ‘artiestenverloning.nl’ door concurrent Prae Artiestenverloning B.V., wegens een beweerd gevaar van verwarring met haar oudere handels- en domeinnaam ‘artiestenverloningen.nl’. In die zaak had het gerechtshof Den Haag feitelijk beslist dat Prae de gewraakte domeinnaam niet als handelsnaam gebruikte. In cassatie ging het daarom alleen om toetsing van de domeinnaam aan art. 6:162 BW Pro. Evenmin stond in cassatie ter discussie dat de aanduiding ‘artiestenverloning(en)’ louter beschrijvend is voor de diensten die Artiestenverloningen en Prae aanbieden. Het hof wees de vordering af op de grond dat enkel verwarringsgevaar niet volstaat om het gebruik van een louter beschrijvende domeinnaam onrechtmatig te doen zijn, en dat dit pas aan de orde kan zijn indien sprake is van bijkomende omstandigheden. Dat Artiestenverloningen een zekere bekendheid genoot in de branche, achtte het hof onvoldoende om het beschrijvende karakter van de domeinnaam op te heffen. In cassatie betoogde Artiestenverloningen dat het hof, naar analogie van art. 5 Hnw Pro, een loutere verwarringstoets had moeten toepassen.
nodeloze verwarringcreëert. Hierbij moet worden gedacht aan situaties van ‘misbruik’, zoals het bewust creëren van verwarring, teneinde op misleidende wijze klanten weg te lokken bij de concurrent, of het nodeloos creëren van verwarring, met als uitsluitend doel om de concurrent dwars te zitten. Het is volgens Van Peursem niet wenselijk dat de houder van een oudere beschrijvende domeinnaam het door hem zelf geschapen verwarringsgevaar zou kunnen tegenwerpen aan de gebruiker van een licht afwijkende, eveneens beschrijvende domeinnaam.
Euro-Tyreuit 2009, [64] voorop dat art. 6:162 BW Pro de gebruiker van een handelsnaam aanvullende bescherming biedt tegen het latere gebruik van een daarmee overeenstemmende naam dat verwarring wekt, bijvoorbeeld in een domeinnaam (rov. 3.4.2). Ook ten aanzien van het gebruik van een naam die overeenstemt met een domeinnaam kan van onrechtmatigheid sprake zijn als dat gebruik verwarring wekt (rov. 3.4.3). De Hoge Raad vervolgde:
Artiestenverloningenmede toegepast op louter beschrijvende
handelsnamen. [65] Veel besproken, ook in de schriftelijke opmerkingen die in deze procedure zijn ingediend, is een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 september 2017. [66] In de betreffende zaak vorderde de houder van de handels- en domeinnaam ‘parfumswinkel(.nl)’ op grond van art. 5 Hnw Pro een verbod van de handels- en domeinnaam ‘parfumswebwinkel(.nl)’. Het hof oordeelde dat hiervoor, naast verwarringsgevaar, bijkomende omstandigheden zijn vereist. Volgens het gerechtshof Den Haag is bij louter beschrijvende handelsnamen ‘bijna altijd’ sprake van verwarringsgevaar. Wordt enkel getoetst of sprake is van verwarringsgevaar in de zin van art. 5 Hnw Pro, dan komt dat neer op ‘een volledige afwijzing van de behoefte aan vrijhouding’. Art. 5 Hnw Pro staat volgens het hof niet in de weg aan het stellen van een eis van bijkomende omstandigheden, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de ontwikkelingen in het huidige internet-tijdperk. Het hof maakt een uitzondering voor beschrijvende handelsnamen die ‘in hoge mate ongebruikelijk’ of ‘ingeburgerd’ zijn: nabootsing van zulke handelsnamen kan wél wegens enkel verwarringsgevaar verboden worden. Een en ander was in de betreffende zaak niet aan de orde. Het hof achtte het gebruik van de naam ‘parfumswebwinkel’ ook niet verwarrend, mede gelet op het verschillende uiterlijk van de betrokken websites en de gebruikte logo’s. [67]
Artiestenverloningengehanteerde maatstaf ook moet worden toegepast op (louter) beschrijvende handelsnamen. [68] Verkade concludeerde in zijn NJ-annotatie bij het arrest – met instemming – dat “
voortaan ook in handelsnaamrechtelijke context aanwezigheid van verwarringsgevaar op zichzelf niet meer genoeg [is] voor onrechtmatigheid”. Verkade leidde dit af uit de verwijzing in rov. 3.4.4 naar de beschikking
Bouwcentrum, dat immers een geschil over de botsing van beschrijvende handelsnamen betrof (vgl. 2.15 hiervoor). [69] Andere auteurs, onder wie Van Nispen en Visser, zijn Verkade hierin bijgevallen. [70]
Artiestenverloningenuitsluitend in de sleutel van art. 6:162 BW Pro staat, en de verwarringstoets van art. 5 Hnw Pro onverlet laat. Zij leiden dit af uit de verwijzing in rov. 3.4.2 naar het arrest
Euro-Tyre, dat een geval van aanvullende rechtsbescherming uit hoofde van onrechtmatige daad betrof. In hun visie is de betekenis van rov. 3.4.4 voor het handelsnaamrecht beperkt tot de (herhaalde) vaststelling dat het “
in beginsel voor een ieder mogelijk moet zijn zich van een aanduiding te bedienen die beschrijvend is voor zijn diensten of producten”. Volgens deze auteurs laat die vaststelling onverlet dat het gebruik van een geheel of ten dele beschrijvende handelsnaam geen verwarringsgevaar mag opleveren (als bedoeld in art. 5 Hnw Pro). [71]
Bouwcentrumstonden in de sleutel van een belangenafweging. Het sluitstuk van deze rechtspraak wordt gevormd door beschikking
Bouwcentrumuit 1987 (vgl. 2.15 hiervoor). De Hoge Raad kende uitdrukkelijk betekenis toe aan het belang van ondernemers die een woord in zijn “
algemeen gebruikelijk geworden betekenis” in hun handelsnaam willen opnemen.
wegens verwarringsgevaar verboden is een handelsnaam als bijzondere benaming van een onderneming te gebruiken”, gerechtvaardigd is in de zo-even bedoelde zin. [75] De beschermingsgrond is dus niet gelegen in de noodzaak eigendom of de firmavrijheid van de houder van de oudere handelsnaam te beschermen, maar in de noodzaak het publiek te beschermen tegen verwarring tussen twee ondernemingen.
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
mr. Vermeulennamens drie kantoorgenoten ingediende opmerkingen wordt benadrukt dat een handelsnaam geen onderscheidend vermogen hoeft te hebben om geldig te zijn, dat ook louter beschrijvende handelsnamen ‘beschermingswaardige bekendheid’ kunnen genieten, dat dezelfde beschrijvende aanduidingen in verschillende handelsnamen kunnen en mogen worden gebruikt, en dat verwarringsgevaar het enige relevante criterium is om uit te maken of een handelsnaam moet worden beschermd. Het is daarom onjuist om voor bescherming bijkomende omstandigheden te vereisen. Het evenwicht tussen de
Freihaltebedürfnisen het belang van de oudere handelsnaamhouder moet worden aangebracht op een wijze zoals de Hoge Raad heeft gedaan in de beschikking
Bouwcentrum.
mr. Van Aerdenamens het kantoor Windt Le Grand Leeuwenburgh ingediende opmerkingen wordt benadrukt dat een handelsnaam weliswaar geen onderscheidend vermogen hoeft te hebben om geldig te zijn, maar dat aan beschrijvende handelsnamen alleen voor bescherming in aanmerking behoren te komen als zij onderscheidend vermogen hebben gekregen en “
als het ware zijn ingeburgerd”. Het is niet nodig om voor
in zekere mate beschrijvendehandelsnamen naast verwarringsgevaar bijkomende omstandigheden te vereisen. Aangesloten wordt bij het in de vakliteratuur door Chalmers verdedigde standpunt dat voorop moet staan of de ingeroepen handelsnaam ‘beschermenswaardige bekendheid’ heeft verworven. In een geval van conflicterende handelsnamen moeten de twee handelsnamen worden vergeleken op basis van het totaalbeeld. Indien een handelsnaam naast een beschrijvend onderdeel ook een (in zekere mate onderscheidend) niet-beschrijvend bestanddeel bevat, zal dat laatste gedeelte het totaalbeeld domineren. Voor
louter beschrijvendehandelsnamen geldt echter wél het vereiste van bijkomende omstandigheden.
mr. Cohen Jehoramingediende opmerkingen van mr. Chalmers wordt gesteld dat het niet juist is om aan de bescherming van (in meer of mindere mate) beschrijvende handelsnamen voorwaarden te stellen die niet uit de Handelsnaamwet voortvloeien. Voor de bescherming(somvang) van een handelsnaam is het uitsluitend van belang te kijken naar het gebruik van het teken in het economisch verkeer en de mate waarin dat gebruik het publiek bereikt. De bescherming die art. 5 Hnw Pro aan de ingeroepen handelsnaam verleent, veronderstelt reeds dat die oudere handelsnaam beschermenswaardige bekendheid heeft. Het is niet nodig daarnaast aanvullende inburgering van de handelsnaam aan te tonen. De mate van onderscheidend vermogen van de ingeroepen handelsnaam is één van de omstandigheden die bepalend zijn voor de vraag of de latere handelsnaam verboden dient te worden.
mr. Bruning, tonen de nodige verdeeldheid. Ik meen niettemin een kleine meerderheid te ontwaren voor het standpunt dat de
Freihaltebedürfnishet beste kan worden gewaarborgd in het kader van de toets aan verwarringsgevaar en dat voor het inroepen van bescherming op grond van art. 5 Hnw Pro niet is vereist dat bijkomende omstandigheden worden aangetoond.
Artiestenverloningenvoor handelsnamen, hierna ook aangeduid als de ‘bijkomende-omstandigheden-toets’. De vraag luidt (mijn onderstrepingen):
indien de ingeroepen oudere handelsnaam (in meer of mindere mate) beschrijvendis of onderscheidend vermogen mist, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden (in aanvulling op verwarringsgevaar)
in geval van een louter beschrijvende handelsnaam?”
Artiestenverloningengeeft daar een voorbeeld van voor domeinnamen. Bescherming van handelsnamen uit hoofde van art. 6:162 BW Pro is echter alleen aan de orde in geschillen die buiten de Handelsnaamwet vallen (vgl. 2.6 hiervoor).
eerste plaatskan de rechter de lat voor het aannemen van verwarringsgevaar gevaar (betrekkelijk) hoog leggen, door een bepaalde mate van onderscheidend vermogen van de ingeroepen handelsnaam te vereisen. Niet-onderscheidende namen zullen het dan met een beperkte (of mogelijk geen enkele) beschermingsomvang moeten doen. [80] Ik benadruk in dit verband dat beschrijvende handelsnamen niet naar hun aard verwarringwekkend hoeven te zijn, zoals kennelijk wel eens wordt gedacht. De semantische onbepaaldheid van aanduidingen als ‘bakker’, ‘café’ en ‘boekwinkel’ bijvoorbeeld impliceert nog niet dat het
publiekde betrokken ondernemingen met elkaar verwart of associeert. Juist omdat het publiek bekend is met zulke generieke aanduidingen, en met hun generieke, niet-exclusieve betekenis, behoeft het gebruik daarvan niet zonder meer verwarringsgevaar op te leveren (in de zin van art. 5 Hnw Pro). De paradox dat juist beschrijvende handelsnamen verwarrend zouden zijn en daarom een ruime beschermingsomvang zouden hebben, doet zich daarom volgens mij niet voor, althans zeker niet in alle gevallen.
tweede plaatskan de rechter tot het oordeel komen dat er in een bepaald geval verwarringsgevaar te duchten is, maar dat dit niet
het gevolgis van het voeren van een overeenstemmende, jongere handelsnaam (vgl. 2.10 hiervoor). Die situatie kan zich voordoen indien de oorspronkelijke handelsnaam beschrijvend is en/of onderscheidend vermogen mist en daarom de eigenlijke oorzaak van de verwarring vormt. In die omstandigheden dient niet te worden overgegaan tot een verbod van de jongere handelsnaam. Ik geef een fictief voorbeeld van ene dergelijke situatie. In de buurt van het druk bezochte pannenkoekenrestaurant ‘Het Pannenkoekenhuis’ vestigt zich een concurrent die de naam ‘De Pannekoekenhut’ voert. Verwarringsgevaar zal zeker zijn te duchten, maar dat gevaar lijkt toe te rekenen aan het louter beschrijvende karakter van de oudste handelsnaam. De omstandigheid dat ‘Het Pannenkoekenhuis’ er eerder zat vormt in beginsel geen grond om het gebruik van de naam ‘De Pannekoekenhut’ te verbieden.
derde plaatskan de rechter een belangenafweging maken tussen de behoefte aan bescherming van de oudere beschrijvende handelsnaam en de alom aanvaarde vrijhoudingsbehoefte van woorden en namen. Bij het maken van die afweging dient met name rekening te worden gehouden met het onderscheidend vermogen van de oudere handelsnaam in het economisch verkeer. [81] Indien een handelsnaam geen of slechts een zeer gering onderscheidend vermogen heeft, kan dat ertoe bijdragen om geen handelsnaamrechtelijke bescherming toe te kennen. De vrijheid van een derde om voor het aanbieden van zijn goederen of diensten dezelfde of een vergelijkbare naam te voeren kan dan zwaarder wegen. Dat geldt ook als een handelsnaam is verworden tot soortnaam en om die reden niet (langer) voor handelsnaamrechtelijke bescherming in aanmerking komt. In de zaak
Bouwcentrumwas door ontwikkelingen in de taal een situatie ontstaan, die de Hoge Raad aanleiding gaf te overwegen dat het belang van Bouwcentrum moest wijken voor dat van de ondernemers die dat woord in zijn algemeen gebruikelijk geworden betekenis in hun naam willen opnemen (vgl. 2.15 hiervoor).
vierde plaatskan de rechter een ongeschreven rechtvaardigingsgrond hanteren ter bescherming van het algemeen belang dat is gemoeid met de vrijhouding van beschrijvende aanduidingen. [82] Indien bijvoorbeeld de ‘Parfumswinkel’ een gat in de markt aanboort door de online verkoop van parfums, moeten concurrenten in dat gat kunnen springen, door óók online parfums te gaan verkopen. Het is niet gewenst dat zij daarbij hun toevlucht zouden moeten nemen tot geforceerde, voor het publiek minder goed herkenbare (en op het internet minder goed vindbare) synoniemen als ‘geurtjeswinkel’ of ‘reukwatershop’. De term ‘parfum’ behoort, net als ‘winkel’, tot het alledaagse spraakgebruik en mag daarom niet worden gemonopoliseerd, ook niet als het gebruik van die term door concurrenten verwarring kan veroorzaken bij het relevante publiek. Men kan dan denken aan de toepassing van een ongeschreven rechtvaardigingsgrond [83] van het type ‘de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’: wie ervoor kiest een handelsnaam te voeren die geheel of ten dele beschrijvend van aard is, kan zich er niet tegen verzetten dat concurrenten datzelfde doen. [84]
Artiestenverloningenéén-op-één zou moeten worden overgezet op handelsnamen. Dat arrest heeft immers alleen betrekking op louter beschrijvende domeinnamen. [85]
Artiestenverloningen, in de feitenrechtspraak nog steeds weinig duidelijkheid. Het lijkt niet aantrekkelijk deze onduidelijkheid te laten uitwaaieren naar handelsnaamrechtelijke geschillen. Ook wijs ik erop dat de ‘bijkomstige-omstandigheden-leer’ vragen kan doen rijzen op het vlak van bewijslastverdeling, die procedures mogelijk verder compliceren.
Artiestenverloningenhet pleit al heeft beslecht. Zie ik het goed, dan is dat het standpunt van Verkade. Hij merkt in zijn NJ-noot bij dit arrest op dat de Hoge Raad in rov. 3.4.4 verwijst naar
Bouwcentrum,een handelsnaamgeschil, en hij leidt daar uit af: “
Volgens de lezing van de HR van 2015 van de beschikking van 1987 is in het geval van een louter beschrijvende naam voortaan ook in handelsnaamrechtelijke contextaanwezigheid van verwarringsgevaar
op zichzelf niet meer genoeg voor onrechtmatigheid.” (onder 7)
Artiestenverloningenwas in cassatie slechts toetsing aan art. 6:162 BW Pro aan de orde. Daarbij past terughoudendheid bij het verlenen van IE-bescherming omdat het gaat om aanvullende bescherming, aldus ook Visser. [87] Op twee plaatsen, in rov. 3.4.2 en in rov. 3.4.4, verwijst de Hoge Raad naar het handelsnaamrecht. In rov. 3.4.2 wordt overwogen dat art. 5 Hnw Pro de gebruiker van een handelsnaam slechts bescherming geeft tegen het gebruik van dezelfde of van een overeenstemmende
handelsnaam. In de zaak
Artiestenverloningenging het in cassatie echter alleen om een domeinnaam, waarvoor art. 6:162 BW Pro bescherming biedt. Na vervolgens in rov. 3.4.3 te hebben overwogen dat ook ten aanzien van het gebruik van een domeinnaam “
van onrechtmatigheid sprake [kan] zijn als dat gebruik verwarring wekt”, overweegt de Hoge Raad in rov. 3.4.4, onder verwijzing naar de zaak
Bouwcentrum, dat het in beginsel voor een ieder mogelijk moet zijn zich van een aanduiding te bedienen die beschrijvend is voor zijn diensten of producten, “
ook in een domeinnaam”. Daarom is “
in een geval als het onderhavige het gebruik van een dergelijke aanduiding, ook indien verwarringwekkend, alleen onrechtmatig indien bijkomende omstandigheden dat meebrengen.”
tweedetegenwerping is vooral van dogmatische aard. Verwarringsgevaar als zodanig geen norm, maar een feitelijk normbestanddeel zodat voor een ‘normatieve invulling’ geen ruimte bestaat. Verder worden in de derde variant (belangenafweging) en de vierde variant (rechtvaardigingstoets) elementen in de verwarringsgevaartoets opgenomen die net zo min als ‘bijkomstige omstandigheden’ in art. 5 Hnw Pro zijn terug te lezen zien. Waarom passen dit soort overwegingen wel in het stelsel van de Handelsnaamwet maar ‘bijkomende omstandigheden’ niet?
derdetegenwerping is meer van praktische aard, maar daarom niet minder relevant. Als de handelsnaamrechtelijke en domeinnaamrechtelijke bescherming uiteen kunnen lopen, dan mag een onderneming bijvoorbeeld wel haar handelsnaam blijven gebruiken maar niet haar domeinnaam. [89] Gelijkschakeling van beide regimes biedt ondernemingen grote praktische voordelen.
Artiestenverloningenis het vereiste van bijkomende omstandigheden gesteld ten aanzien van een louter beschrijvende domeinnaam. Het is aannemelijk dat ook een
louter beschrijvende handelsnaamin veel gevallen bescherming moet ontberen. De houder van een louter beschrijvende handelsnaam zal zich dan niet met succes op verwarringsgevaar als bedoeld in art. 5 Hnw Pro kunnen beroepen. Zowel op het handelsnaamrechtelijke vlak als op het domeinnaamrechtelijke vlak is de uitkomst dan in beginsel hetzelfde: geen bescherming. Of deze parallellie ook opgaat voor
gedeeltelijk beschrijvendehandelsnamen valt moeilijk te zeggen omdat het arrest
Artiestenverloningenniet ziet op gedeeltelijk beschrijvende domeinnamen.
Artiestenverloning.