ECLI:NL:PHR:2020:1222
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt juiste bewijslastverdeling bij accijnsnaheffing op gasolie in bunkertanks
In deze zaak is accijns nageheven omdat in de bunkertanks van het schip van belanghebbende minerale olie werd aangetroffen die niet het voorgeschreven gehalte herkenningsmiddel bevatte. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag, een verzuimboete en belastingrente op omdat de belanghebbende volgens hem onveraccijnsde gasolie voorhanden had buiten een accijnsschorsingsregeling.
De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat belanghebbende niet had aangetoond dat de olie accijns had ondergaan, maar het gerechtshof stelde belanghebbende in hoger beroep in het gelijk. Het hof vond dat de Inspecteur onvoldoende onderzoek had gedaan naar de herkomst van de olie en niet had gesteld dat de olie niet in de heffing was betrokken, waardoor de naheffingsaanslag niet stand kon houden.
De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak met het middel dat het hof een verkeerde maatstaf had toegepast bij de bewijslastverdeling. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof de bewijslast juist had verdeeld en dat het middel faalt. De Hoge Raad werd geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren. De zaak betreft ook de vraag of kennis of redelijkerwijs weten van het buiten een accijnsschorsingsregeling voorhanden hebben van goederen vereist is, maar dit bleef onbesproken.
De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van een juiste bewijslastverdeling en de noodzaak dat de Inspecteur voldoende stelt omtrent het ontstaan van het belastbaar feit en de heffing van accijns op het moment dat de belanghebbende de goederen voorhanden kreeg.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat het hof de bewijslast correct heeft verdeeld.