ECLI:NL:PHR:2020:1239

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 2020
Publicatiedatum
19 januari 2021
Zaaknummer
19/02673
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-tijdige indiening cassatiemiddelen

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot jeugddetentie van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, wegens deelname aan een criminele organisatie en meerdere diefstallen met braak in woningen. Tegen dit arrest heeft de raadsman van de verdachte middelen van cassatie ingediend, maar deze zijn niet tijdig ingediend volgens de wettelijke termijnen van artikel 437, tweede lid, Sv.

De aanzegging van het cassatieberoep werd op 8 mei 2020 betekend, waarna de schriftuur met middelen pas op 17 juli 2020 bij de Hoge Raad binnenkwam. Hierdoor is niet voldaan aan de vereiste termijn van twee maanden na aanzegging, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

De procureur-generaal concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte. Daarnaast is er samenhang met andere zaken waarin ook conclusies worden genomen. De zaak betreft strafrechtelijke veroordelingen voor diefstal en deelname aan een criminele organisatie, met opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en teruggave van inbeslaggenomen goederen.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet-tijdige indiening van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02673
Zitting17 november 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 22 mei 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 3 “diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 11 “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest omschreven. Tot slot heeft het hof ten aanzien van een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp de teruggave aan [betrokkene 1] gelast.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/02582, 19/02584, 19/02643 en 19/02645. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. M.J.A. Bakker, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 8 mei 2020 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. De schriftuur is echter eerst bij de Hoge Raad ingekomen op 17 juli 2020. [1]
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Namens de verdachte is op 3 juli 2020 weliswaar een schriftuur bij de Hoge Raad ingekomen waarop het zaaknummer van de onderhavige zaak was vermeld, maar deze schriftuur bleek middelen te bevatten, gericht tegen een arrest van gerechtshof Den Haag van 27 mei 2019. Die zaak is bij de Hoge Raad geregistreerd als 19/02700.