Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
NJ1991/442 m.nt. Corstens (Mariënburcht). Het negende cassatiemiddel betoogde dat art. 140 Sr Pro alleen van toepassing zou zijn wanneer het oogmerk is gericht op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven, terwijl het in de Mariënburcht-zaak om een éénmalige actie rond de ontruiming ging. Uw Raad overwoog dat het middel faalde voor zover het erover bedoelde te klagen dat het hof zou hebben miskend dat art. 140 Sr Pro ‘het deelnemen aan een rechtspersoon welker oogmerk is het gedurende enige tijd plegen van misdrijven’ zou eisen. Het hof had volgens Uw Raad kennelijk geoordeeld, ‘gelijk het heeft kunnen doen, dat de vereniging gestructureerd verzet tegen de komende ontruiming beoogde, hetwelk gepaard zou gaan met het plegen van misdrijven van verschillende aard in een tevoren niet bepaalde omvang en niet alleen op de dag van de ontruiming maar ook (…) geruime tijd voordien’ (rov. 13.3). Ik merk daarbij op dat de ‘geruime tijd’ waar Uw Raad over spreekt, gelet op de koppeling aan de ontruiming, toch begrensd is. Ik signaleer voorts dat Groenhuijsen in zijn noot onder dit arrest van mening was dat Uw Raad daarin niet als algemene regel neerlegt ‘dat een vereniging die misdadige acties voor één dag voorbereidt, buiten het bereik van artikel 140 Sr Pro valt’. [2] En dat Corstens, in zijn noot, in dezelfde lijn opmerkt dat uit de tekst van art. 140 Sr Pro niet valt te halen dat de delictsomschrijving van art. 140 Sr Pro niet zou zijn vervuld ‘als uitsluitend zou zijn beoogd op de dag van ontruiming geweld te gebruiken’. [3] Dat de te plegen misdrijven – sterk – in de tijd begrensd kunnen zijn, brengt mee dat het in de rede ligt ook aan de duur(zaamheid) van het daarop gerichte samenwerkingsverband niet hele hoge eisen te stellen.