Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt in de kern dat de vaststelling van het ontnemingsbedrag niet begrijpelijk is, zodat ook de motivering van het oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen in een periode die voorafgaat aan de in de bewezenverklaring in de hoofdzaak genoemde periode, ontoereikend is gemotiveerd.
Ik ben betrokken geweest bij [c-straat] en ook bij de [b-straat 1] .(…)Op de [b-straat 1] en [c-straat] heb ik wiet gekweekt, maar alleen. (…)Ik was verhuisd naar de [b-straat 1] in 2007 met mijn gezin.Inmiddels is dat mijn ex-partner.Ik heb daar 12 maanden gewoond met mijn ex-partner en dochter. Daarna verhuisde ik naar de [d-straat] . Dat was een koopwoning in Arnhem. Daarna ben ik begonnen met de zolder verbouwen. Het heeft daar ongeveer 3 maanden geduurd en ik heb drie keer geoogst.De eerste keer was de opbrengst € 25.000,-, de tweede keer € 23.000,- en de derde keer € 22.000,-. In totaal was de opbrengst € 70.000,-. Ik was € 20.000,- kwijt aan vaste lasten, voor het huis, de huur en de aanschaf van de hennep, et cetera. Ik heb in totaal € 50.000,- winst gemaakt op de [b-straat 1] . (…).”
“onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk [is] geworden”.
tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.