ECLI:NL:PHR:2020:130

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
10 februari 2020
Zaaknummer
18/02351
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing ontnemingszaak hennepteelt wegens onjuiste periode vaststelling voordeel

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €206.817,71, gebaseerd op de aanname dat de hennepkwekerij in het pand aan de [b-straat 1] te Westervoort begon bij de start van de huurperiode in augustus 2007. De betrokkene stelde echter dat hij pas vanaf de zomer van 2008 met de hennepteelt begon, nadat hij een jaar met zijn gezin in het pand had gewoond en daarna was verhuisd.

De verklaring van de betrokkene, ondersteund door een getuige, werd door het hof niet gevolgd, wat leidde tot een hogere berekening van het ontnemingsbedrag. De Hoge Raad oordeelt dat deze vaststelling en de daarop gebaseerde motivering niet verenigbaar zijn met het bewijs en daarom niet begrijpelijk zijn.

Daarnaast is vastgesteld dat het cassatieberoep te laat is ingediend, wat een procedurele fout inhoudt. De Hoge Raad ziet echter geen andere gronden voor vernietiging en beveelt vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.

De zaak betreft een crimineel netwerk van hennepteelt waarbij familieleden verschillende kwekerijen beheerden. De ontnemingszaak richt zich op het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze hennepteelt, waarbij de precieze periode van de hennepkwekerij cruciaal is voor de berekening van het bedrag.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/02351 P
Zitting11 februari 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 23 mei 2018 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 206.817,71 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/02352, 18/02452, 18/02519, 18/02973, 18/02977 en 19/02150. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Volgens de vaststellingen van het hof is de achtergrond van de strafzaak die aan deze ontnemingszaak voorafgaat, de volgende. In 2009 en 2010 zijn verschillende (omvangrijke) hennepkwekerijen aangetroffen die kennelijk tot hetzelfde netwerk behoorden. Het hof oordeelde dat de kwekerijen in gebruik waren bij een criminele organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het telen van hennep. De organisatie heeft bestaan uit leden van de familie […] : [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene] (broers) en hun neef [betrokkene 3] . Individueel zijn de familieleden veroordeeld voor – wederom kort gezegd – het kweken van hennep in één of meer kwekerijen en het witwassen van geld. Wat de organisatiestructuur betreft, gaat het hof ervan uit dat de familieleden elk een eigen, ten opzichte van de anderen enigszins afgebakende, taak binnen de organisatie vervulden. Zo worden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] [betrokkene] bijvoorbeeld primair verantwoordelijk gehouden voor de hennepkwekerij aan [a-straat 1] te Arnhem, terwijl voor de kwekerijen aan [b-straat 1] te Westervoort en [c-straat 1] te Duiven de verantwoordelijkheid door het hof met name wordt gelegd bij [betrokkene 2] en [betrokkene] . Sporadisch komen de [betrokkene] ook bij de kwekerijen in beeld waarvoor ze de primaire verantwoordelijkheid niet dragen. Bijvoorbeeld omdat zij daar zelf zijn gezien, omdat hun auto’s aldaar zijn gesignaleerd of omdat is vastgesteld dat ze op een (andere) wijze behulpzaam waren bij de kwekerijen.
5. Het
eerste middelklaagt in de kern dat de vaststelling van het ontnemingsbedrag niet begrijpelijk is, zodat ook de motivering van het oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen in een periode die voorafgaat aan de in de bewezenverklaring in de hoofdzaak genoemde periode, ontoereikend is gemotiveerd.
6. De betrokkene heeft ter terechtzitting van het hof op 20 april 2018 (zie p. 1-2 van het proces-verbaal) onder meer het volgende verklaard (onderstreping mijnerzijds):

Ik ben betrokken geweest bij [c-straat] en ook bij de [b-straat 1] .(…)Op de [b-straat 1] en [c-straat] heb ik wiet gekweekt, maar alleen. (…)Ik was verhuisd naar de [b-straat 1] in 2007 met mijn gezin.Inmiddels is dat mijn ex-partner.Ik heb daar 12 maanden gewoond met mijn ex-partner en dochter. Daarna verhuisde ik naar de [d-straat] . Dat was een koopwoning in Arnhem. Daarna ben ik begonnen met de zolder verbouwen. Het heeft daar ongeveer 3 maanden geduurd en ik heb drie keer geoogst.De eerste keer was de opbrengst € 25.000,-, de tweede keer € 23.000,- en de derde keer € 22.000,-. In totaal was de opbrengst € 70.000,-. Ik was € 20.000,- kwijt aan vaste lasten, voor het huis, de huur en de aanschaf van de hennep, et cetera. Ik heb in totaal € 50.000,- winst gemaakt op de [b-straat 1] . (…).
Het hof heeft in de hoofdzaak de onderstreepte gedeeltes van deze passage overgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest. [1] Deze aanvulling heeft het hof in de ontnemingszaak als bijlage gevoegd bij de aanvulling op het bestreden arrest.
7. De bijlage bij de aanvulling van het bestreden arrest bevat onder meer de verklaring van een getuige, [betrokkene 4] :
“Ik woon aan de [b-straat 2] te Westervoort. Mij is opgevallen dat er in het jaar 2007 mensen kwamen wonen in de woning aan de [b-straat 1] . Het was een gezin bestaande uit een man en een vrouw en een kind. Deze mensen waren van Turkse afkomst. De man stelde zich voor en vertelde mij dat hij een café/restaurant had in Doesburg. Deze mensen zijn nu een jaar weg uit de woning. Ik heb de man echter wel meerdere keren terug gezien. In de zomer van 2008 kwamen er twee andere bewoners in deze woning. Het waren een vrouw en een man. Het was voor mij duidelijk dat het buitenlandse mensen waren. Tegelijkertijd begon het met veel geluiden in de woning. Ik hoorde vooral veel getimmer. Eigenlijk in dezelfde periode dat de nieuwe buren kwamen wonen, verscheen er een busje in de straat. Uit dat busje kamen in mijn ogen ‘jonge piemkes’. Volgens mij waren het een zestal personen.” [2]
8. Bij de berekening van het voordeel dat de betrokkene uit de hennepkwekerij in het pand aan [b-straat 1] wederrechtelijk heeft verkregen, heeft het hof in afwijking van hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, de start van de huurperiode (augustus 2007) aangemerkt als het begin van de periode waarin een hennepkwekerij in het pand was gevestigd. Op basis van dat uitgangspunt kwam het hof tot het oordeel dat de betrokkene in dat pand negen maal heeft geoogst. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel die op deze vaststelling volgt, € 206.817,71, is daarmee aanzienlijk hoger dan de omvang van het door de betrokkene berekende voordeel. Het ter terechtzitting gevoerde verweer van de betrokkene, inhoudende dat hij pas zeker een jaar later begon met de hennepteelt, verwerpt het hof met het oordeel dat dit
“onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk [is] geworden”.
9. Deze overweging alsmede de door het hof toegepaste voordeelsberekening laten zich echter niet verenigen met de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte die door de getuige wordt onderschreven. Uit die bewijsmiddelen moet immers worden afgeleid dat de betrokkene eerst een jaar met zijn gezin in het pand heeft gewoond, daarna is verhuisd, vanaf de zomer van 2008 de woning heeft verbouwd en pas daarna hennep is gaan kweken. Tegen die achtergrond is de vaststelling van het ontnemingsbedrag en de onderliggende motivering niet begrijpelijk.
10. Het eerste middel slaagt in zoverre.
11. Het
tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
12. Het middel klaagt hierover terecht. Namens de betrokkene is op 25 mei 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 10 april 2019 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt met zich dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met afgerond drie maanden is overschreden.
13. Het eerste middel slaagt en dat dient te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie de bijlage bij de aanvulling van het arrest onder punt 32, p. 11.
2.Opgenomen onder punt 12 van de bijlage bij de aanvulling, p. 4.