Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
gesproken, hij heeft haar slechts
gezien. De psychiater heeft de diagnose kennelijk overgenomen uit het dossier; ook met betrekking tot het gestelde gevaar is hij afgegaan op hetgeen derden aan hem hebben medegedeeld.
ditmiddelonderdeel niet bestrijdt.
in een direct contact spreekt en observeert. [6] Voor een onderzoek met direct contact is de medewerking van beide kanten nodig. Wat betreft de medewerking aan de zijde van de patiënt heeft de Hoge Raad overwogen dat
nietkan worden aanvaard dat geen voorlopige machtiging kan worden verleend indien het vereiste directe contact niet (of slechts in een beperkte mate) mogelijk is als gevolg van een weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken. Wel zal de psychiater in een dergelijk geval in zijn verklaring moeten uiteenzetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij niettemin tot de slotsom is gekomen dat de betrokkene in zijn geestvermogens gestoord is en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz zich voordoet. De rechtbank dient in zo’n geval na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden.
onmiddellijkdreigend gevaar (vgl. art. 20, lid 2 onder c, Wet Bopz) kunnen aan dit oordeel niet afdoen. De slotsom is dat onderdeel I faalt.
settingwaar zij kan worden begeleid en ondersteund. De overweging van de rechtbank dat dit alternatief meer is ingegeven door de vertrouwensbreuk tussen de moeder en de instelling dan door het belang van betrokkene, is volgens het middelonderdeel onbegrijpelijk. Volgens de klacht had de rechtbank te onderzoeken of een oplossing kan worden gevonden om het gevaar af te wenden buiten een psychiatrisch ziekenhuis: indien sprake is van een vertrouwensbreuk tussen haar moeder en de instelling, wil dat nog niet zeggen dat de voorgestelde alternatieve oplossing niet in het belang van betrokkene is. Wanneer betrokkene niet kan praten met de begeleid(st)ers in deze instelling, maar wel met haar moeder en met haar voormalig begeleidster, en op die manier het gevaar kan worden afgewend, had dit voor de rechtbank een punt van overweging moeten zijn.