“
Beoordelingskader “afkomstig van enig misdrijf”
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf’, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, (alternatieve) herkomst van het voorwerp. Tegen deze achtergrond, komt het hof tot de volgende overwegingen en conclusie.
Schijnconstructie
Het hof stelt voorop dat de bewezenverklaring van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten mede van betekenis is voor de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde feit. Uit de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten volgt dat de verdachte tegenover haar hypotheekverstrekker - in strijd met de werkelijkheid - de schijn heeft willen wekken dat zij een substantieel inkomen uit arbeid genoot op basis van een arbeidsovereenkomst met [A] . Omdat de verdachte wist dat deze arbeidsovereenkomst en het bijbehorende inkomen in werkelijkheid ten tijde van de hypotheekaanvraag niet bestonden, maar ook heeft begrepen dat zij de aan de verstrekte hypotheek verbonden financiële verplichtingen (blijkens de offerte van Zwitserleven bestaand uit het maandelijks betalen van een bedrag van € 987,50) zou moeten voldoen, kan het niet anders dan dat de verdachte heeft verondersteld dat zij - ook zonder het fictieve inkomen uit arbeid - aan de hypothecaire verplichtingen zou kunnen voldoen en kon beschikken over (contant) geld uit een andere bron. De bewijsmiddelen die het hof gebruikt voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde wijzen erop dat de verdachte met [betrokkene 1] heeft afgesproken hem te voorzien € 19.500,- die hij vervolgens aan haar als “zogenaamd voor onbepaalde tijd in dienst” bij [A] als salaris zou overmaken, van welk bedrag de verdachte óp 23 februari 2004 - volgens de brief van [betrokkene 1] van die datum -€ 16.000,- aan hem had verstrekt. Dat betekent tevens dat de verdachte voor het uitvoeren van deze schijnconstructie heeft beschikt over in elk geval ook deze som geld.
Deze feiten en omstandigheden roepen naar het oordeel van het hof de vragen op waarom de verdachte de schijn van een legaal inkomen van [A] wilde wekken en uit welke andere bron de verdachte - naar zij wist: ook in de toekomst - kon beschikken over geld.
Die vragen worden extra prangend in het licht van de omstandigheid dat solide aanknopingspunten ontbreken voor het bestaan van legale inkomsten die een verklaring kunnen bieden voor de bezittingen en het uitgavenpatroon van de verdachte, zoals uit het onderzoek naar voren is gekomen.
Bezittingen, uitgavenpatroon, aangroei banktegoed en daar tegenover staande legale inkomsten Uit de bij de Belastingdienst bekende gegevens volgt dat het tegoed van de verdachte op haar bankrekeningen in de periode van 2001 tot en met 2003 is aangegroeid van € 0 naar € 113.304,-.
Het saldo op twee bankrekeningen van de verdachte bij de ABN-AMRO bank bedroeg op 6 april 2006 ongeveer € 62.700,-. Voorts beschikte de verdachte op 5 april 2006 over een Volkswagen Touareg met, volgens een bij de verdachte aangetroffen huurovereenkomst van 23 januari 2006 een aanschafwaarde van € 48.000,-, waarvan het na inruil van een andere auto resterende bedrag van € 30.500,- door afbetalingen van € 500,- per maand moest worden voldaan. Wat de uitgaven van de verdachte betreft, blijkt uit de stukken van het dossier het volgende.
Uit bankafschriften van de verdachte volgt dat zij in de periode van 1 juli 2004 tot en met 6 januari 2006 maandelijks aan vaste lasten (exclusief onder meer: telefoonkosten, kosten voor levensmiddelen en kleding en afbetalingen voor een auto) ruim € 1.500,- van haar ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer 1] heeft betaald. Voorts volgt uit bankafschriften van de Fortisbank rekening met nummer [rekeningnummer 2] dat de verdachte maandelijks € 958,76 huur betaalde voor een niet door haar bewoonde woning aan het [b-straat 1] en voor die woning € 46,73 per maand aan energiekosten betaalde.
De hypotheekaanvraag bij Zwitserleven van 16 maart 2004 zag op een nieuwbouwwoning met een koopsom van € 343.000,-, terwijl de aanvraag zag op een lening van € 237.000,-, zodat de verdachte € 106.000,- aan eigen middelen moest bijdragen.
Tegenover deze bezittingen, vermogensgroei, uitgaven en financiële verplichtingen staat een bij de Belastingdienst bekend bruto-inkomen van de verdachte over de jaren 2001 tot en met 2005 van bij elkaar opgeteld, in totaal ongeveer € 82.000,- (gedeeld door vijf is dat € 16.400,- bruto per jaar).
Van de medeverdachte [medeverdachte] , is bij de Belastingdienst over de jaren 2001 tot en met 2005 geen inkomen bekend, terwijl de Belastingdienst - op basis van het gegeven dat hij in de gemeentelijke basisadministratie bijna onafgebroken tot 27 december 2007 op een adres in Nederland ingeschreven is geweest en hij in Nederland bij de verdachte drie erkende kinderen heeft, waarvan de jongste op 18 juni 2006 is geboren - tot de voorlopige conclusie is gekomen dat de medeverdachte ten minste tot 2008 in Nederland woonachtig is geweest en derhalve voor zijn wereldinkomen in Nederland belastingplichtig was.
De stelling van de verdachte dat zij de woning aan het [b-straat 1] onderverhuurde en daarop verdiende acht het hof niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat deze stelling voor het eerst is betrokken ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 en dat ook toen pas ter staving van die stelling een (niet van een kopie van enig identiteitsdocument voorziene) “bewarings-overeenkomst” met daarop de datum 1 november 2004 in het geding is gebracht. Op 6 april 2006 [is] door de politie gevraagd naar de van haar rekening overgemaakte huur voor deze woning en op de vraag wie daar woont, heeft de verdachte zich op haar zwijgrecht beroepen.
In verband met de gestelde lening van de zuster van de verdachte wordt het navolgende overwogen. Enkel op grond van de vermelding op het bankafschrift van de verdachte dat zij een bedrag van € 35.000,- zou hebben ontvangen van [betrokkene 2] en de mededeling van de verdediging dat dit een lening van de zus van de verdachte betreft, acht het hof dit niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte een door de verdachte geschreven notitie is aangetroffen, in een notitieboekje van de verdachte, waarin diverse substantiële geldbedragen zijn vermeld, met omschrijvingen als “ [betrokkene 3] ”, terwijl [betrokkene 3] een zus is van de verdachte, en de verdachte voor deze feiten en omstandigheden die - in onderling verband beschouwd - redengevend zijn voor de vaststelling dat de verdachte via de rekening van haar zus substantiële bedragen op haar eigen rekening terecht doet komen, geen die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Verhoord door de politie heeft zij bevestigd dat zij dat heeft geschreven, maar zich op haar zwijgrecht beroepen toen haar werd gevraagd wat deze notities te betekenen hadden. Ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 heeft de verdediging zich meer in het algemeen op het standpunt gesteld dat het vragen naar details geen zin heeft, omdat de verdachte zich die niet meer kon herinneren.
Overigens wijst het hof in dit verband nog op het feit dat voor zover de verdachte in haar verhoor bij de politie al iets heeft verklaard, in welk verband er bijvoorbeeld op wordt gewezen dat zij aldaar ontkent dat zij van de medeverdachte [medeverdachte] een bijdrage voor de kinderen ontvangt, deze verklaring in het licht van hetgeen vervolgens uit het dossier blijkt, niet bijdraagt aan haar geloofwaardigheid.
Tussenconclusie
In het licht van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het van de verdachte bij de Belastingdienst bekende inkomen, ook indien daarbij wordt opgeteld wat de verdachte aan inkomsten stelt te hebben gehad, voor zover die stellingen hiervoor (wat betreft de onderverhuur en gift van € 35.000,-) niet als onaannemelijk terzijde zijn geschoven, geen verklaring biedt voor de vermogenstoename van de verdachte, voor haar uitgavenpatroon en het overigens kunnen voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen op de wijze zoals zij dat deed. Dat brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte een andere, door haar - anders dan met de mededeling dat zij weleens wat krijgt toegestopt, zonder te willen zeggen van wie - niet prijsgegeven bron van financiële middelen moet hebben gehad, waaruit zij heeft kunnen putten en waaruit zij, mede blijkens haar handelen zoals onder 2 en 3 bewezenverklaard, verwachtte te kunnen blij ven putten. Het hof stelt vast dat die bron moet hebben bestaan uit door de medeverdachte [medeverdachte] verstrekt contant geld, zoals dat ook op 5 april 2006 in de woning van de verdachte, samen met een groot aantal waardevolle horloges is aangetroffen, en acht bewezen dat de verdachte van de aanwezigheid van dit contante geld en deze horloges heeft geweten. De ontkenning door de verdachte van de wetenschap van de aanwezigheid in haar woning van het contante geld en de horloges althans het waardevolle karakter daarvan, acht het hof ongeloofwaardig, in het licht van het vorenstaande. Het betoog van de verdediging dat de verdachte niet heeft geweten van de waarde van de horloges treft evenmin doel. Ten eerste is het een feit van algemene bekendheid dat horloges van de merken Rolex en Cartier een (zeer) aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Ten tweede moet de aanwezigheid van deze horloges worden beschouwd in samenhang met de aanwezigheid van de ruim € 110.000,- aan contant - middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig - geld.
Misdadige herkomst contant geld en horloges
In de door de verdachte bewoonde woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam zijn bij een doorzoeking op 5 april 2006, in de keuken zeven horloges en het paspoort van de medeverdachte [medeverdachte] gevonden en in de ouderslaapkamer 14 horloges en - in kleine coupures - een geldbedrag van ruim € 110.000,-. Dit geld lag op drie plaatsen in deze slaapkamer. Ongeveer € 38.000,- lag in een kledingkast, in een dekbed verpakt in een plastic hoes, ruim € 70.000,- in een plastic tas in een kledingkast en 57 briefjes van € 50,- (€ 2.850,-) met de 14 horloges in een lade van een andere kast. De gezamenlijke waarde van de 21 horloges, met daaronder horloges van de merken Audemars Piguet, Rolex en Cartier, was ongeveer € 72.345,-. In het arrest van het hof van 3 oktober 2017 in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] heeft het hof gemotiveerd geoordeeld dat en waarom dit geldbedrag en deze horloges naar het oordeel van het hof - middellijk of onmiddellijk - van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de medeverdachte dat wist. Die overwegingen en dat oordeel dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd (zie bijlage).
Conclusie
In het licht van al het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte dit contante geld en de waardevolle horloges tezamen met de medeverdachte [medeverdachte] voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist (althans minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard en is blijven aanvaarden) dat het ging om voorwerpen met een - middellijk of onmiddellijk - misdadige herkomst.
Die laatste wetenschap leidt het hof af uit het handelen van de verdachte zoals bewezenverklaard onder 2 en 3, uit de aard van de aangetroffen voorwerpen, uit het feit dat de verdachte niet heeft willen prijsgeven van wie zij geld kreeg toegestopt en geen redengevende ontzenuwende verklaring heeft gegeven omtrent de vele haar belastende feiten en omstandigheden. In het verlengde van het vorenstaande komt het hof tevens tot het oordeel dat de Volkswagen Touareg en het banksaldo op 6 april 2006 - middellijk of onmiddellijk - (gedeeltelijk) van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist.
De ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gevoerde verweren worden daarom door het hof verworpen.”