ECLI:NL:PHR:2020:192

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2020
Publicatiedatum
2 maart 2020
Zaaknummer
17/04882
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 27a SrArt. 81.1 ROArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen witwassen en vermindert straf wegens termijnoverschrijding

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van witwassen, oplichting en valsheid in geschrift. Zij had grote sommen contant geld, kostbare horloges en een personenauto in bezit, waarvan het hof aannam dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. De verdachte voerde verweren aan tegen de bewezenverklaring, waaronder dat zij niet wist van de herkomst en aanwezigheid van de voorwerpen, en dat het openbaar ministerie onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar verklaringen.

Het hof oordeelde dat de verdachte bewust was van de misdadige herkomst van de goederen, mede gelet op haar vermogenstoename, uitgavenpatroon en het ontbreken van een aannemelijke legale verklaring. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof over de wetenschap van de verdachte en de herkomst van de goederen. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht volstond met verwijzing naar het arrest van de medeverdachte voor de bespreking van verweren tegen het voorbereidend onderzoek.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, waardoor de strafvermindering op haar plaats was. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verlaagde deze naar de gebruikelijke maatstaf, terwijl het overige van het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen van witwassen en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer17/04882
Zitting14 januari 2020
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 3 oktober 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “medeplegen van witwassen en witwassen”, 2. “oplichting” en 3. “valsheid in geschrift”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaak 17/04881. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. B.Th. Nooitgedagt en D. Bektesevic, advocaten te Amsterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste middel

4.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring vermelde voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf en over het bewezen verklaarde opzet van de verdachte.
4.2.
Ten laste van de verdachte is onder 1. bewezen verklaard dat:
“zij op 5 april 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van ruim 110.000 euro, en
- horloges van onder meer de merken Audemars Piguet, Cartier en Rolex met een gezamenlijke waarde van ongeveer 72.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededader wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en de volgende voorwerpen, te weten
- een Volkswagen Touareg personenauto en
- een geldbedrag van ongeveer 62.700 euro, zijnde het tegoed op aan verdachte toebehorende bankrekeningen, voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”.
4.3.
Het in het middel bedoelde oordeel luidt als volgt: [1]

Beoordelingskader “afkomstig van enig misdrijf”
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf’, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, (alternatieve) herkomst van het voorwerp. Tegen deze achtergrond, komt het hof tot de volgende overwegingen en conclusie.
Schijnconstructie
Het hof stelt voorop dat de bewezenverklaring van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten mede van betekenis is voor de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde feit. Uit de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten volgt dat de verdachte tegenover haar hypotheekverstrekker - in strijd met de werkelijkheid - de schijn heeft willen wekken dat zij een substantieel inkomen uit arbeid genoot op basis van een arbeidsovereenkomst met [A] . Omdat de verdachte wist dat deze arbeidsovereenkomst en het bijbehorende inkomen in werkelijkheid ten tijde van de hypotheekaanvraag niet bestonden, maar ook heeft begrepen dat zij de aan de verstrekte hypotheek verbonden financiële verplichtingen (blijkens de offerte van Zwitserleven bestaand uit het maandelijks betalen van een bedrag van € 987,50) zou moeten voldoen, kan het niet anders dan dat de verdachte heeft verondersteld dat zij - ook zonder het fictieve inkomen uit arbeid - aan de hypothecaire verplichtingen zou kunnen voldoen en kon beschikken over (contant) geld uit een andere bron. De bewijsmiddelen die het hof gebruikt voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde wijzen erop dat de verdachte met [betrokkene 1] heeft afgesproken hem te voorzien € 19.500,- die hij vervolgens aan haar als “zogenaamd voor onbepaalde tijd in dienst” bij [A] als salaris zou overmaken, van welk bedrag de verdachte óp 23 februari 2004 - volgens de brief van [betrokkene 1] van die datum -€ 16.000,- aan hem had verstrekt. Dat betekent tevens dat de verdachte voor het uitvoeren van deze schijnconstructie heeft beschikt over in elk geval ook deze som geld.
Deze feiten en omstandigheden roepen naar het oordeel van het hof de vragen op waarom de verdachte de schijn van een legaal inkomen van [A] wilde wekken en uit welke andere bron de verdachte - naar zij wist: ook in de toekomst - kon beschikken over geld.
Die vragen worden extra prangend in het licht van de omstandigheid dat solide aanknopingspunten ontbreken voor het bestaan van legale inkomsten die een verklaring kunnen bieden voor de bezittingen en het uitgavenpatroon van de verdachte, zoals uit het onderzoek naar voren is gekomen.
Bezittingen, uitgavenpatroon, aangroei banktegoed en daar tegenover staande legale inkomsten Uit de bij de Belastingdienst bekende gegevens volgt dat het tegoed van de verdachte op haar bankrekeningen in de periode van 2001 tot en met 2003 is aangegroeid van € 0 naar € 113.304,-.
Het saldo op twee bankrekeningen van de verdachte bij de ABN-AMRO bank bedroeg op 6 april 2006 ongeveer € 62.700,-. Voorts beschikte de verdachte op 5 april 2006 over een Volkswagen Touareg met, volgens een bij de verdachte aangetroffen huurovereenkomst van 23 januari 2006 een aanschafwaarde van € 48.000,-, waarvan het na inruil van een andere auto resterende bedrag van € 30.500,- door afbetalingen van € 500,- per maand moest worden voldaan. Wat de uitgaven van de verdachte betreft, blijkt uit de stukken van het dossier het volgende.
Uit bankafschriften van de verdachte volgt dat zij in de periode van 1 juli 2004 tot en met 6 januari 2006 maandelijks aan vaste lasten (exclusief onder meer: telefoonkosten, kosten voor levensmiddelen en kleding en afbetalingen voor een auto) ruim € 1.500,- van haar ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer 1] heeft betaald. Voorts volgt uit bankafschriften van de Fortisbank rekening met nummer [rekeningnummer 2] dat de verdachte maandelijks € 958,76 huur betaalde voor een niet door haar bewoonde woning aan het [b-straat 1] en voor die woning € 46,73 per maand aan energiekosten betaalde.
De hypotheekaanvraag bij Zwitserleven van 16 maart 2004 zag op een nieuwbouwwoning met een koopsom van € 343.000,-, terwijl de aanvraag zag op een lening van € 237.000,-, zodat de verdachte € 106.000,- aan eigen middelen moest bijdragen.
Tegenover deze bezittingen, vermogensgroei, uitgaven en financiële verplichtingen staat een bij de Belastingdienst bekend bruto-inkomen van de verdachte over de jaren 2001 tot en met 2005 van bij elkaar opgeteld, in totaal ongeveer € 82.000,- (gedeeld door vijf is dat € 16.400,- bruto per jaar).
Van de medeverdachte [medeverdachte] , is bij de Belastingdienst over de jaren 2001 tot en met 2005 geen inkomen bekend, terwijl de Belastingdienst - op basis van het gegeven dat hij in de gemeentelijke basisadministratie bijna onafgebroken tot 27 december 2007 op een adres in Nederland ingeschreven is geweest en hij in Nederland bij de verdachte drie erkende kinderen heeft, waarvan de jongste op 18 juni 2006 is geboren - tot de voorlopige conclusie is gekomen dat de medeverdachte ten minste tot 2008 in Nederland woonachtig is geweest en derhalve voor zijn wereldinkomen in Nederland belastingplichtig was.
De stelling van de verdachte dat zij de woning aan het [b-straat 1] onderverhuurde en daarop verdiende acht het hof niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat deze stelling voor het eerst is betrokken ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 en dat ook toen pas ter staving van die stelling een (niet van een kopie van enig identiteitsdocument voorziene) “bewarings-overeenkomst” met daarop de datum 1 november 2004 in het geding is gebracht. Op 6 april 2006 [is] door de politie gevraagd naar de van haar rekening overgemaakte huur voor deze woning en op de vraag wie daar woont, heeft de verdachte zich op haar zwijgrecht beroepen.
In verband met de gestelde lening van de zuster van de verdachte wordt het navolgende overwogen. Enkel op grond van de vermelding op het bankafschrift van de verdachte dat zij een bedrag van € 35.000,- zou hebben ontvangen van [betrokkene 2] en de mededeling van de verdediging dat dit een lening van de zus van de verdachte betreft, acht het hof dit niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte een door de verdachte geschreven notitie is aangetroffen, in een notitieboekje van de verdachte, waarin diverse substantiële geldbedragen zijn vermeld, met omschrijvingen als “ [betrokkene 3] ”, terwijl [betrokkene 3] een zus is van de verdachte, en de verdachte voor deze feiten en omstandigheden die - in onderling verband beschouwd - redengevend zijn voor de vaststelling dat de verdachte via de rekening van haar zus substantiële bedragen op haar eigen rekening terecht doet komen, geen die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Verhoord door de politie heeft zij bevestigd dat zij dat heeft geschreven, maar zich op haar zwijgrecht beroepen toen haar werd gevraagd wat deze notities te betekenen hadden. Ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 heeft de verdediging zich meer in het algemeen op het standpunt gesteld dat het vragen naar details geen zin heeft, omdat de verdachte zich die niet meer kon herinneren.
Overigens wijst het hof in dit verband nog op het feit dat voor zover de verdachte in haar verhoor bij de politie al iets heeft verklaard, in welk verband er bijvoorbeeld op wordt gewezen dat zij aldaar ontkent dat zij van de medeverdachte [medeverdachte] een bijdrage voor de kinderen ontvangt, deze verklaring in het licht van hetgeen vervolgens uit het dossier blijkt, niet bijdraagt aan haar geloofwaardigheid.
Tussenconclusie
In het licht van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het van de verdachte bij de Belastingdienst bekende inkomen, ook indien daarbij wordt opgeteld wat de verdachte aan inkomsten stelt te hebben gehad, voor zover die stellingen hiervoor (wat betreft de onderverhuur en gift van € 35.000,-) niet als onaannemelijk terzijde zijn geschoven, geen verklaring biedt voor de vermogenstoename van de verdachte, voor haar uitgavenpatroon en het overigens kunnen voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen op de wijze zoals zij dat deed. Dat brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte een andere, door haar - anders dan met de mededeling dat zij weleens wat krijgt toegestopt, zonder te willen zeggen van wie - niet prijsgegeven bron van financiële middelen moet hebben gehad, waaruit zij heeft kunnen putten en waaruit zij, mede blijkens haar handelen zoals onder 2 en 3 bewezenverklaard, verwachtte te kunnen blij ven putten. Het hof stelt vast dat die bron moet hebben bestaan uit door de medeverdachte [medeverdachte] verstrekt contant geld, zoals dat ook op 5 april 2006 in de woning van de verdachte, samen met een groot aantal waardevolle horloges is aangetroffen, en acht bewezen dat de verdachte van de aanwezigheid van dit contante geld en deze horloges heeft geweten. De ontkenning door de verdachte van de wetenschap van de aanwezigheid in haar woning van het contante geld en de horloges althans het waardevolle karakter daarvan, acht het hof ongeloofwaardig, in het licht van het vorenstaande. Het betoog van de verdediging dat de verdachte niet heeft geweten van de waarde van de horloges treft evenmin doel. Ten eerste is het een feit van algemene bekendheid dat horloges van de merken Rolex en Cartier een (zeer) aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Ten tweede moet de aanwezigheid van deze horloges worden beschouwd in samenhang met de aanwezigheid van de ruim € 110.000,- aan contant - middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig - geld.
Misdadige herkomst contant geld en horloges
In de door de verdachte bewoonde woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam zijn bij een doorzoeking op 5 april 2006, in de keuken zeven horloges en het paspoort van de medeverdachte [medeverdachte] gevonden en in de ouderslaapkamer 14 horloges en - in kleine coupures - een geldbedrag van ruim € 110.000,-. Dit geld lag op drie plaatsen in deze slaapkamer. Ongeveer € 38.000,- lag in een kledingkast, in een dekbed verpakt in een plastic hoes, ruim € 70.000,- in een plastic tas in een kledingkast en 57 briefjes van € 50,- (€ 2.850,-) met de 14 horloges in een lade van een andere kast. De gezamenlijke waarde van de 21 horloges, met daaronder horloges van de merken Audemars Piguet, Rolex en Cartier, was ongeveer € 72.345,-. In het arrest van het hof van 3 oktober 2017 in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] heeft het hof gemotiveerd geoordeeld dat en waarom dit geldbedrag en deze horloges naar het oordeel van het hof - middellijk of onmiddellijk - van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de medeverdachte dat wist. Die overwegingen en dat oordeel dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd (zie bijlage).
Conclusie
In het licht van al het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte dit contante geld en de waardevolle horloges tezamen met de medeverdachte [medeverdachte] voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist (althans minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard en is blijven aanvaarden) dat het ging om voorwerpen met een - middellijk of onmiddellijk - misdadige herkomst.
Die laatste wetenschap leidt het hof af uit het handelen van de verdachte zoals bewezenverklaard onder 2 en 3, uit de aard van de aangetroffen voorwerpen, uit het feit dat de verdachte niet heeft willen prijsgeven van wie zij geld kreeg toegestopt en geen redengevende ontzenuwende verklaring heeft gegeven omtrent de vele haar belastende feiten en omstandigheden. In het verlengde van het vorenstaande komt het hof tevens tot het oordeel dat de Volkswagen Touareg en het banksaldo op 6 april 2006 - middellijk of onmiddellijk - (gedeeltelijk) van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist.
De ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gevoerde verweren worden daarom door het hof verworpen.”
4.4.
De tenlasteleggingen zijn toegesneden op art. 420bis Sr, dat in de tenlastegelegde periode luidde:
“1 Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
2 Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”
4.5.
De Hoge Raad heeft zijn rechtspraak over het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” bij arrest van 18 december 2018 [2] als volgt samengevat:
“2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3.
2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”
4.6.
Het middel valt uiteen in drie deelklachten, die zich richten tegen het oordeel van het hof (i) betreffende de uitleg van het bestanddeel ‘afkomstig zijn uit enig misdrijf’, (ii) dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de contante gelden in haar woning, en (iii) dat de verdachte wetenschap had van de misdadige herkomst van de horloges die in de woning lagen.
4.7.
Ad (i).Geklaagd wordt onder meer dat het openbaar ministerie geen nader onderzoek heeft gedaan naar de verklaring dat het geld afkomstig was uit (a) de verhuur van een woning aan het [b-straat 1] en (b) een lening van verdachtes zus. Het hof had volgens de toelichting op het middel het zwijgen van de verdachte niet bij de bewijsvoering mogen betrekken en kon niet over de aannemelijkheid van de verklaring oordelen zonder dat nader onderzoek naar de verklaring was gedaan. De politie heeft in 2006 aan de verdachte gevraagd wie er in die woning aan het [b-straat 1] woont, maar toen beriep zij zich op haar zwijgrecht. Later, ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017, is het standpunt ingenomen dat de woning werd onderverhuurd. Het hof had de beschikking over inkomensgegevens van de verdachte bij de belastingdienst en inzage in bankrekeningen. Kennelijk zijn daar geen huurinkomsten ter zake van die woning in teruggevonden. Het kennelijke oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet gehouden was meer onderzoek te doen maar deze verklaring is meen ik niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor de lening van verdachtes zus. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is een door haar geschreven notitie aangetroffen waarin vermeld stond “ [betrokkene 3] ”. De zus van de verdachte heeft [betrokkene 3] . De verdachte heeft daarover niets verklaard. Alles in aanmerking genomen heeft het hof ook die verklaring voor de oorsprong van het geld niet aannemelijk geacht. Dat het hof de verklaringen van de verdachte niet aannemelijk heeft geacht, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
4.8.
Ad (ii).Ter terechtzitting van het hof is gesteld dat de verdachte niet wist dat het geld in haar woning lag. Daartoe is aangevoerd dat de medeverdachte toegang had tot de plekken waar het geld is aangetroffen, het geld verborgen was, een recente kassabon in een plastic tas bij een deel van het geld werd aangetroffen, wat er volgens de verdediging op duidt dat dit er pas korte tijd lag en de medeverdachte heeft verklaard dat hij de verdachte niet op de hoogte had gesteld van de aanwezigheid van het geld. Het hof heeft die verklaring ongeloofwaardig geacht, gelet op haar vermogenstoename, haar uitgavepatroon en het kunnen voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen op de wijze zoals zij dat deed, terwijl zij niet de bron van haar financiële middelen wil prijsgeven. Ook dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
4.9.
Ad (iii).Ter terechtzitting van het hof is betoogd dat de verdachte niet beter wist dan dat de medeverdachte in horloges handelde en dat aan de horloges niet af te zien was dat deze kostbaar waren. Deze deelklacht ligt in het verlengde van de vorige deelklacht. Het hof heeft het betoog dat de verdachte niet wist van de aanwezigheid, dan wel het waardevolle karakter, van de horloges ongeloofwaardig geacht. Het hof heeft in dat verband de stelling verworpen dat de verdachte niet beter wist dan dat de medeverdachte in horloges handelde en geoordeeld dat de aanwezigheid van die horloges in samenhang moet worden beschouwd met de aanwezigheid van ruim € 110.000 aan contanten. Daarnaast moet de verdachte hebben geweten dat horloges van merken als Rolex en Cartier een (zeer) aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Het getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof dat als feit van algemene bekendheid heeft aangemerkt. Ook overigens is zijn oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.10.
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1.
Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, lid 2, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot niet-ontvankelijkheid dan wel bewijsuitsluiting.
5.2.
Blijkens de toelichting op het middel zit de pijn met name in de wijze waarop het hof het verweer heeft verworpen, namelijk als volgt:

Bespreking van gevoerde verweren met betrekking tot het voorbereidend onderzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich aangesloten bij het betoog van de raadsvrouw in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) onder parketnummer 23-006370-08, in wiens zaak het hof eveneens op 3 oktober 2017 uitspraak heeft gedaan. Daarin zijn de door de raadsvrouw van de medeverdachte gevoerde verweren verworpen. Het hof volstaat hier met een verwijzing naar, die beslissing en de motivering daarvan. Een kopie van het arrest in de zaak tegen [medeverdachte] onder voormeld parketnummer is aan dit arrest gehecht (zie bijlage).”
5.3.
Volgens de stellers van het middel mocht het hof niet volstaan met verwijzing naar het arrest in de zaak van de medeverdachte. Ik zie dat anders. De bijlage, met daarin het arrest tegen de medeverdachte maakt deel uit van het arrest tegen de verdachte zelf en dus mocht het hof in de hierboven geciteerde passage volstaan met verwijzing naar die bijlage. Voorts wordt betoogd dat onvoldoende gespecificeerd is verwezen naar het arrest in de zaak van de medeverdachte. Op pagina 2-3 van het als bijlage opgenomen arrest heeft het hof de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting verworpen. Dat oordeel wordt voorafgegaan door de – vetgedrukte – kop ‘Bespreking van gevoerde verweren met betrekking tot het voorbereidend onderzoek’. Dat moet zo toch wel te vinden zijn, lijkt mij. Het hof was mijns inziens dus, mede gelet op de beperkte omvang van het arrest in de bijlage, niet gehouden zijn verwijzing nader te specificeren.
5.4.
Het middel faalt.

6.Het derde middel

6.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden. Namens de verdachte is op 10 oktober 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezette stempel op 11 december 2018 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn, die acht maanden bedraagt, met ruim zes maanden is overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Een en ander dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
6.2.
Het middel slaagt.
7. Het eerste en tweede middel falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan. Het derde middel slaagt.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik laat voetnoten achterwege.
2.HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352,