Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel I, onder het kopje “Aanvulling verweer”, bevat de klacht dat de rechtbank het recht, in het bijzonder art. 23 Rv Pro, [1] art. 2 Wet Pro Bopz en art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, heeft geschonden door in haar beslissing niet (ook) de inhoud te betrekken van een faxbericht dat de advocaat van betrokkene kort na afloop van de mondelinge behandeling aan de rechtbank heeft verzonden. [2] In dit faxbericht, dat op 9 december 2019 om 18:31 uur is verzonden, [3] staat het volgende:
actuelesituatie - zowel wat betreft het gevaar dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen als wat betreft de mogelijkheden om dit gevaar af te wenden anders dan door opneming van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis - en dat het faxbericht om die reden door de rechtbank in de beoordeling had moeten worden betrokken. Gelet op het voorgaande lijkt mij dat niet de processueel juiste benadering: de advocaat van betrokkene had de rechtbank eerst verlof moeten vragen om deze informatie − essentieel of niet − na de sluiting van het partijdebat alsnog in het geding te brengen. Op zich is juist dat de rechter in Bopz-machtigingsprocedures naar de actuele toestand (
ex nunc) beslist over de vrijheidsbeneming. De aard van de procedure (de noodzaak om naar de actuele situatie te beslissen) kan van belang zijn voor het antwoord op de vraag of in hoger beroep, in afwijking van de zgn. één-conclusie-regel, in een laat stadium nieuwe informatie of een nieuwe grief ter kennis van de appelrechter mag worden gebracht. [12] Dat staat echter los van de vraag of de rechter die eenmaal heeft bepaald tot welk tijdstip stukken mogen worden ingediend, ambtshalve bevoegd is om alle te laat ingediende stukken ter zijde te leggen.
ex nuncmoet beoordelen of de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. De Hoge Raad overwoog als volgt: