Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Anguilla BWI’
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
lex fori), (ii) uit het recht dat de rechtsverhouding in materieel opzicht beheerst (
lex causae), of (iii) uit het recht van derde landen (de ‘derdelandsnormen’), te weten uit het recht van een ander met het internationaal geval nauw verbonden land, niet zijnde de lex fori of de lex causae. In art. 7 EVO Pro zijn de voorrangsregels uit de lex fori (art. 7 lid Pro 2) en de derdelandsnormen (art. 7 lid 1 EVO Pro) geregeld.
Alnati-arrest van de Hoge Raad. [7] Het EVO bevat geen nadere omschrijving van het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ of ‘voorrangsregels’. In de Verordening Rome I [8] – de ‘opvolger’ van het EVO – is in art. 9 de Pro positie van bepalingen van bijzonder dwingend recht geregeld en is in het eerste lid een omschrijving opgenomen:
Arblade-arrest van het Hof van Justitie van de EU (HvJEU). [9] Het ligt voor de hand voor de uitleg van het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ in art. 7 EVO Pro eveneens uit te gaan van de begripsomschrijving in het
Arblade-arrest. [10]
Onderdeel 1.bklaagt dat het hof het onderscheid tussen voorrangsregels van de lex fori en derdelandsnormen heeft miskend.
Onderdeel 1.cbouwt op het voorafgaande voort met het betoog dat een buitenlandse voorrangsregel niet kan worden toegepast, indien deze regel onverenigbaar is met de lex causae en met de lex fori. In dat geval zouden er zwaarwegende redenen moeten zijn om toch de lex causae opzij te zetten, en die ontbreken. Ook
onderdeel 1.dklaagt dat een buitenlandse voorrangsregel niet kan worden toegepast, wanneer de gevolgen daarvan zeer ingrijpend of zelfs onaanvaardbaar zijn. De toepassing van de Franse wetsbepaling zou ernstige consequenties zou hebben voor het premiestelsel op Sint Maarten.
Onderdeel 1.fklaagt dat het hof niet motiveert waarom in dit geval bij de Franse wetsbepaling dermate grote Franse staatsbelangen betrokken zijn dat de Nederlandse rechter daarmee rekening moet houden.
kantoekennen aan dergelijke bepalingen. [14] Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ strikt moet worden uitgelegd. [15] Zoals ik reeds heb vermeld, moet om vast te stellen of aan de derdelandsnorm gevolg kan worden toegekend, rekening worden gehouden met (i) de aard en strekking van die bepaling, alsmede met (ii) de gevolgen die uit de toepassing of de niet-toepassing daarvan zouden voortvloeien. Het hof heeft ten aanzien van beide vereisten overwogen dat de Franse bepaling erop is gericht de belangen van de benadeelden te beschermen door de beperking van de dekkingsgraad te verbieden. Het recht van Sint Maarten is ook gericht op bescherming van de belangen van de benadeelden, omdat, zoals het hof in rov. 2.15 van het eindvonnis heeft overwogen, de keuze is gemaakt ‘om een hogere dekkingsgraad te bewerkstelligen door lagere premies waarbij de beperking in de dekking voor lief is genomen’. Vervolgens heeft het hof overwogen dat een ernstige onevenwichtigheid in het Franse verzekeringsrecht zou ontstaan, indien de keuze die de wetgever van Sint Maarten heeft gemaakt rechtstreeks zou doorwerken in de Franse rechtssfeer. Ik meen dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uitsluitend in zijn oordeel te betrekken de vraag wat de gevolgen zijn van de toepassing van het recht van Sint Maarten in de Franse rechtssfeer, maar niet wat de gevolgen zijn van de toepassing van het Franse recht in de rechtssfeer van Sint Maarten, nu het recht van Sint Maarten zowel de lex fori is als het recht dat de verzekeringsovereenkomst beheerst (de lex causae). [16] Daarbij heeft het hof evenmin in de overwegingen betrokken de vraag of het te beschermen belang van de benadeelde voldoende zwaarwegend is om van het recht van Sint Maarten (als lex causae) af te wijken, nu ook dit recht de bescherming van de benadeelde en de verzekerde op het oog heeft, zij het dat deze bescherming op een andere wijze wordt gerealiseerd dan in het Franse recht. Gelet op het voorgaande, ben ik van mening dat de klachten terecht zijn voorgedragen en dat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven.
Onderdeel 1.eklaagt dat het oordeel van het hof dat de Franse bepaling als derdelandsnorm moet worden toegepast onjuist is, omdat van die toepassing alleen sprake kan zijn indien de belangen die door de regel worden beschermd in het concrete geval bescherming behoeven. Nu deze regel alleen de belangen van de benadeelde beoogt te beschermen en deze benadeelde volledig is gecompenseerd, is van een benodigde beschermingsbehoefte geen sprake.