Conclusie
[de rechthebbende]
[de andere broer]
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Bewind
Ondanks dat de beide broers ter zitting hebben verklaard goede bedoelingen te hebben gehad met de aanschaf van een auto voor de rechthebbende en dat dit met haar in overleg is gegaan, is het hof van oordeel dat dit gezien de gevolgen daarvan, welke de verzoeker heeft veroorzaakt althans niet heeft weten te voorkomen, niet in het vermogensrechtelijk belang van de rechthebbende is geweest.Met de komst van een professionele bewindvoerder zijn – zoals ter zitting is gebleken – de financiën van rechthebbende op orde gesteld en zijn er afbetalingsregelingen getroffen met de schuldeisers. Het hof acht het in het belang van de rechthebbende dat de huidige stabiele situatie aangaande de financiën voortduurt met behulp van de bewindvoerder als onafhankelijke derde en zal de bestreden beschikking ten aanzien van de persoon van de bewindvoerder dan ook bekrachtigen.”
onderdeel 1is de beslissing van het hof in rov. 5.4 onbegrijpelijk. In deze rechtsoverweging noemt het hof alleen bezwaren tegen het handelen van verzoeker. Het gaat echter om de benoeming van zijn broer (‘de andere broer’) als bewindvoerder. Deze broer wordt door het hof alleen genoemd in de hierboven in rov. 5.4 cursief weergegeven overweging. Die overweging kan niet (zelfstandig) het oordeel dragen dat sprake is van bezwaren tegen de benoeming van deze broer als wettelijk preferent bewindvoerder. Het hof overweegt immers duidelijk dat verzoeker degene is die genoemde gevolgen heeft veroorzaakt of niet heeft weten te voorkomen en niet de andere broer. De bewindvoerder heeft in het verweerschrift in hoger beroep ook niet gesteld dat de andere broer hierbij betrokken zou zijn. Verder heeft de kantonrechter in de beschikking over het bewind (p. 2) – onbestreden – vastgesteld dat uit de verklaring van rechthebbende en de andere broer niet kan worden opgemaakt dat zij op de hoogte waren van de manier waarop verzoeker het belang van rechthebbende heeft behartigd. Ook uit het proces-verbaal van de zitting van het hof blijkt niets van enige betrokkenheid van de andere broer. Op p. 3 verklaart hij dat “
het anders is dan hoe het (…) gesteld is” en verwijst hij vervolgens alleen naar afspraken tussen verzoeker en rechthebbende. Nu uit niets van enige betrokkenheid van de andere broer blijkt, is het onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat beide broers ter zitting hebben verklaard goede bedoelingen te hebben gehad met de aanschaf van een auto voor de rechthebbende en dat dit met haar in overleg is gegaan. Indien het hof een eventuele betrokkenheid van de andere broer heeft betrokken bij zijn oordeel dat sprake is van bezwaren tegen zijn benoeming als wettelijk preferent bewindvoerder is dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van de overweging van het hof dat (juist) verzoeker de negatieve gevolgen veroorzaakt heeft of niet heeft weten te voorkomen en/of de constatering van de kantonrechter dat de andere broer niet op de hoogte was van de manier waarop verzoeker het belang van rechthebbende heeft behartigd. Het argument dat de andere broer alles zou doen wat verzoeker zegt [4] wordt door het hof niet genoemd en kan dan ook niet als motivering voor zijn oordeel dienen. Dat zou ook onbegrijpelijk zijn aangezien het hof in rov. 5.8 ten aanzien van het mentorschap oordeelt dat de andere broer voldoende weerstand kan bieden tegen verzoeker en daarmee het argument van de bewindvoerder verwerpt.
A-G] wordt, wat de tot bewindvoerder te benoemen persoon betreft, een voorkeur uitgesproken voor de echtgenoot van de rechthebbende (vgl. art. 383 lid 2 van Pro Boek 1) of, als deze niet gehuwd is, voor een van zijn ouders of kinderen. [6] Uiteraard kan de rechter anders beslissen, bij voorbeeld indien hem blijkt dat de rechthebbende tegen de benoeming van een der genoemde personen bezwaar heeft of indien de volgens de wet bij voorkeur in aanmerking komende persoon door de rechter niet geschikt wordt geacht het bewind te voeren. (…)” [7]
A-G], ontbreken dan wel door de rechter ongeschikt worden geacht. Het wetsontwerp laat de rechter, gelijk reeds eerder in deze memorie opgemerkt werd, alle vrijheid om naar bevind van zaken te beslissen. Daarbij kan inderdaad, zoals deze leden nog opmerkten, ook gedacht worden aan de benoeming van meer dan één bewindvoerder, wanneer de aard of omvang van het te voeren beheer daartoe aanleiding zou geven.
in hoger beroep controleerbare’ in het citaat hierboven. Vergelijk in die zin uitdrukkelijk de volgende uitspraak van de wetgever, naar aanleiding van de vraag of de benoeming van een natuurlijk persoon tot bewindvoerder zozeer de voorkeur verdient boven een rechtspersoon, dat een duidelijke motivering gewenst zou zijn indien niet een natuurlijk persoon wordt benoemd (die de wetgever ontkennend beantwoordt):
in staat daar voldoende weerstand aan te kunnen bieden”.