Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ihoudt in dat de rechtbank heeft miskend dat een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien de betrokkene op grond van een rechterlijke machtiging verblijft in een ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1 Wet Pro Bopz. Voor zover de rechtbank ervan is uitgegaan dat betrokkene op 21 november 2019 in een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis verbleef, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting gezien het verweer van de advocaat van betrokkene omtrent de aanmerking, althans is onbegrijpelijk dat de rechtbank zonder nader onderzoek tot dit oordeel is gekomen.
onderdeel III. Het oordeel van de rechtbank dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat dit gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, is immers onbegrijpelijk nu betrokkene verblijft op een locatie die niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 lid 1 Wet Pro Bopz.
onderdeel IIgeen behandeling meer behoeft, merk ik daar kort nog het volgende over op. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet op de voet van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie in de gelegenheid heeft gesteld een andersoortig verzoek in te dienen.