Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
6.De beslissing
onderdeel 2klaagt de moeder in de kern over de afwijzing van haar verzoek om een deskundigenonderzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv. Het onderdeel betoogt dat de beschikking van het hof blijk geeft van een onjuist rechtsopvatting door in zijn overweging 5.2a op te nemen dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek en tevens dat beide overwegingen 5.2 op zichzelf genomen onbegrijpelijk zijn. Uit de toelichting op het onderdeel volgt dat het enkele feit dat ook de GI een (onafhankelijk) onderzoek wil laten verrichten niet betekent dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek of haar verzoek daartoe heeft ingetrokken. Daarnaast voert het onderdeel aan dat het hof het verzoek van de moeder ten onrechte als een contra-expertise aanmerkt, terwijl art. 810a Rv blijkens de wettekst geheel op zichzelf staat en de rechter op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel een dergelijk verzoek moet toewijzen. Door te overwegen dat de uitspraak van de Hoge Raad van 12 april 2019 [4] “niet van toepassing” is, miskent het hof dat deze uitspraak slechts relevant is voor de vraag welke maatstaf de rechter dient te hanteren bij een verzoek in de zin van art. 810a Rv en dat het er in dat geval niet toe doet of al dan niet tussen partijen overeenstemming is over de wenselijkheid van een (onafhankelijk) onderzoek. Voor zover de motivering van het hof begrijpelijk geacht zou worden, wordt in het onderdeel betoogd dat een verzoek in de zin van art. 810a Rv slechts op beperkte gronden mag worden afgewezen. Het hof heeft niets overwogen over de vraag of het verzoek van de moeder voldoende concreet en ter zake dienend was en, voor zover dit in de beslissing van het hof besloten ligt, voert het onderdeel nog aan dat het hof in rov. 5.2 verzuimd heeft te motiveren waarom het belang van [het kind] zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.
N.P. vs Moldavië), waaruit – kort gezegd – volgt dat een inbreuk op de familieband alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden gemaakt en dat die band zoveel mogelijk moet worden hersteld.
N.P. vs Moldavië). Uit deze uitspraak blijkt dat bij de beoordeling of een kinderbeschermingsmaatregel verenigbaar is met art. 8 lid 2 EVRM Pro (voorzien bij wet, noodzakelijk in een democratische samenleving en evenredig) twee aspecten in het bijzonder de aandacht verdienen. Het eerste aspect is of, in het licht van de zaak als geheel, de redenen voor het opleggen van de beschermingsmaatregel “relevant and sufficient” waren. Het tweede aspect is of het besluitvormingsproces eerlijk (‘fair’) is geweest en of daarin voldoende rekening is gehouden met door art. 8 EVRM Pro beschermde belangen van betrokkenen. [15] Voor wat betreft het tweede aspect, het eerlijk verloop van het besluitvormingsproces, overweegt het EHRM dat het besluitvormingsproces, in het licht van de zaak als geheel, zodanig moet zijn ingericht dat de door art. 8 EVRM Pro beschermde belangen voldoende worden gewaarborgd. Voor jeugdbeschermingszaken betekent dit dat de ouders, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval en de ernst van de maatregelen, in voldoende mate in het besluitvormingsproces moeten zijn betrokken, zodat voldoende met hun door art. 8 EVRM Pro beschermde belangen rekening wordt gehouden.