Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2.
“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, en 3.
“witwassen, meermalen gepleegd”,veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het hof een in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp verbeurd verklaard.
eerste middelklaagt in de kern dat de onder 1 bewezenverklaarde deelneming aan de criminele organisatie niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Hiertoe wordt aangevoerd dat de onderlinge relatie tussen de verdachte en zijn medeverdachten niet kan worden aangemerkt als ‘organisatie’, noch dat hij aan de organisatie heeft deelgenomen of dat zijn opzet daarop was gericht.
‘overnemen’van huurbetalingen ten aanzien van de verdachte niet is vastgesteld. Voor zover de klacht zich daartegen keert, berust het op een verkeerde lezing van het arrest, omdat de bewijsoverweging kennelijk niet bedoeld was als opsomming van het handelen van de verdachte. Dat in de algemene bewijsmotivering overwegingen voorkomen die niet direct verband houden met de concrete gedragingen van de verdachte, maar die wel inzichtelijk maken op welke gronden er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband heeft bestaan, hoeft niet af te doen aan het bewijs van zijn deelneming aan de organisatie.
“[v]erdachten in wisselende samenstelling verantwoordelijk waren voor de exploitatie van hennepkwekerijen”en
“dat is gebleken dat verdachte en de medeverdachten in verschillende samenstellingen bij de verschillende hennepkwekerijen in beeld zijn”. Kenmerkend voor de (duurzaamheid van de) organisatie is dus, zoals het hof verderop opmerkt, dat
“[deze personen] gedurende langere tijd structureel ieder een eigen rol dan wel taak binnen de hennepkwekerijen [vervulden]”.De belangrijkste taak die voor de verdachte was weggelegd, was klaarblijkelijk (zoals uit de bewezenverklaring van het tweede feit volgt) de verantwoordelijkheid voor de hennepkwekerijen gelegen aan [b-straat 1] en [c-straat 1] .
tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.