AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling wegens deelneming aan criminele organisatie en hennepteelt
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte is veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie, hennepteelt en witwassen. Het hof oordeelde dat de verdachte deel uitmaakte van een duurzame en gestructureerde organisatie, bestaande uit familieleden, die zich bezighield met het telen van hennep op meerdere locaties.
De verdediging stelde dat de onderlinge relatie tussen de verdachte en zijn familieleden niet als een organisatie kon worden aangemerkt en dat de criminele activiteiten afzonderlijk werden verricht. Het hof motiveerde dat het samenwerkingsverband bestond uit een duurzame structuur met afgebakende taken, onderlinge hulp zoals huurbetalingen en autogebruik, en gezamenlijke kostenverdeling.
De Hoge Raad bevestigde dat deelneming aan een criminele organisatie kan worden aangenomen bij een duurzaam samenwerkingsverband met algemene wetenschap van het oogmerk misdrijven te plegen. De Hoge Raad verwierp het eerste middel over de bewijsvoering. Wel werd het cassatieberoep gegrond verklaard wegens overschrijding van de inzendtermijn, waardoor de straf verminderd moest worden. De bewezenverklaring bleef in stand, het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring deelneming aan een criminele organisatie en vernietigt het arrest wegens overschrijding inzendtermijn, met strafvermindering.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/02352
Zitting11 februari 2020
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 23 mei 2018 de verdachte wegens 1 . “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, en 3. “witwassen, meermalen gepleegd”,veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het hof een in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp verbeurd verklaard.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/02351, 18/02452, 18/02519, 18/02973, 18/02977 en 19/02150. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Volgens de vaststellingen van het hof is de achtergrond van de zaak de volgende. In 2009 en 2010 zijn verschillende (omvangrijke) hennepkwekerijen aangetroffen die kennelijk tot hetzelfde netwerk behoorden. Het hof oordeelde dat de kwekerijen in gebruik waren bij een criminele organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het telen van hennep. De organisatie heeft bestaan uit leden van de familie […] : [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [verdachte] (broers) en hun neef [betrokkene 3] . Individueel zijn de familieleden veroordeeld voor – wederom kort gezegd – het kweken van hennep in één of meer kwekerijen en het witwassen van geld. Wat de organisatiestructuur betreft, gaat het hof ervan uit dat de familieleden elk een eigen, ten opzichte van de anderen enigszins afgebakende, taak binnen de organisatie vervulden. Zo worden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bijvoorbeeld primair verantwoordelijk gehouden voor de hennepkwekerij aan [a-straat 1] te Arnhem, terwijl voor de kwekerijen aan [b-straat 1] te Westervoort en [c-straat 1] te Duiven de verantwoordelijkheid door het hof met name wordt gelegd bij [betrokkene 2] en [verdachte] . Sporadisch komen de […] ook bij de kwekerijen in beeld waarvoor ze de primaire verantwoordelijkheid niet dragen. Bijvoorbeeld omdat zij daar zelf zijn gezien, omdat hun auto’s aldaar zijn gesignaleerd of omdat is vastgesteld dat ze op een (andere) wijze behulpzaam waren bij de kwekerijen.
5. Het eerste middelklaagt in de kern dat de onder 1 bewezenverklaarde deelneming aan de criminele organisatie niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Hiertoe wordt aangevoerd dat de onderlinge relatie tussen de verdachte en zijn medeverdachten niet kan worden aangemerkt als ‘organisatie’, noch dat hij aan de organisatie heeft deelgenomen of dat zijn opzet daarop was gericht.
6. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 24 november 2010 te Arnhem en Westervoort en Eindhoven en Doetinchem en Duiven, dan wel elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten en organisatie bestaande uit [betrokkene 2] en [verdachte] en [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk telen en bereiden en bewerken en verwerken en opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hennepplanten, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
7. De bewezenverklaring is door het hof als volgt gemotiveerd:
“Verdachten waren in wisselende samenstelling verantwoordelijk voor de exploitatie van hennepkwekerijen. Ook is uit het dossier gebleken dat verdachten elkaar in meer of mindere mate hielpen bij die kwekerijen, soms huur van de panden voor elkaars kwekerijen betaalden en ook elkaars auto’s gebruikten op momenten dat er van en naar de zich op verschillende locaties bevindende hennepkwekerijen werd gereden.
Op basis van het dossier is vast te stellen dat het om grotere hennepplantages ging, die voor langere tijd in werking waren en waarbij meerdere personen betrokken waren. De panden waarin de kwekerijen zijn aangetroffen, werden gehuurd (en onderverhuurd) en betaald door verschillende mensen, waaronder verdachte en de medeverdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en/of [betrokkene 2] . Zo huurde [betrokkene 1] het pand aan de [i-straat] en werd de huur van dit pand zowel betaald door [betrokkene 1] als [betrokkene 3] . Datzelfde gold voor het pand aan het [a-straat 1] . [c-straat 1] werd gehuurd door verdachte. Het pand aan de [j-straat] werd formeel gehuurd door [betrokkene 18] , maar de huur daarvan werd feitelijk betaald door [betrokkene 2] .
Uit observaties is gebleken dat verdachte en de medeverdachten in verschillende samenstellingen bij de verschillende hennepkwekerijen in beeld zijn. Door hen wordt in verschillende samenstellingen en in verschillende auto’s tussen de verschillende panden gereden.
Verdachte heeft ook zelf verklaard dat hij en de hiervoor genoemde medeverdachten elkaars auto’s gebruikten.
In de woning van verdachte is een factuur van Alpro-Int van 1 december 2009 (voor potgrond, een stekkendoos etc.) aangetroffen van € 315,73, waarbij staat geschreven:
€ 165,- [betrokkene 3] en € 150,- [betrokkene 5] . Daaruit blijkt dat de kosten voor aanschaf voor producten die gebruikt worden bij (het opzetten van) een hennepkwekerij werden verdeeld.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang en onderling verband bezien, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen (onder meer) de hierboven genoemde verdachten. Gedurende langere tijd vervulden deze personen structureel ieder een eigen rol dan wel taak binnen de hennepkwekerijen. Het oogmerk van de organisatie, namelijk het telen van hennep, is daarmee komen vast te staan, zodat er sprake is van een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 SrPro.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte een significante rol heeft gespeeld binnen de criminele organisatie. Het hof verwijst daarbij naar de hennepkwekerijen onder feit 2 waarvoor verdachte verantwoordelijk wordt gehouden en naar de overige hennepkwekerijen, waarbij hij eveneens, net als de medeverdachten, in beeld is gekomen. Het verweer van de raadsman, kort gezegd inhoudende dat verdachte en medeverdachten elkaar alleen regelmatig zagen omdat zij nu eenmaal familie zijn, kan dan ook niet slagen.”
8. Voor het bewijs van de deelneming aan de criminele organisatie verwijst het hof naar het volgende:
“Ten aanzien van feit 1
- De bewijsmiddelen opgenomen in deze aanvulling onder feit 2;
- De bewijsmiddelen opgenomen onder feit 2 in de aanvullingen van de medeverdachten [betrokkene 3] (ten aanzien van de hennepplantage aan de [h-straat 1] te Doetinchem, parketnummer 21-004872-12), [betrokkene 1] (parketnummer 21-004877-12) en [betrokkene 2] (parketnummer 21-004807-12). Een kopie van deze aanvullingen is aan deze aanvulling gehecht.
34. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal binnentreden woning (als bijlage pagina 964-965 van het stamproces-verbaal), opgemaakt op 25 november 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Op 24 november 2010 ben ik binnengetreden in een woning gelegen aan de [d-straat 1] [postcode] Arnhem.
Lijst inbeslaggenomen goederen
II A-1-2 diverse admin. bescheiden (o.a. bonnetjes).
35. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheid (pagina 193) inhoudende een factuur van Alpro-Int van 1 december 2009, genummerd II-A-1-2, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
37 Atami Grond met Perliet zak à 50 Itr.
325 Stekkendoos 550x300x180 mm. bruin
143 Canna Zym 10 ltr.
134 Canna Rhizotonic 10 ltr.
€ 165 [betrokkene 3]
€ 150 [betrokkene 5]
Te betalen € 315,73”
9. Het is vaste jurisprudentie dat deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 SrPro kan worden aangenomen indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. [1] Het samenwerkingsverband kenmerkt zich door een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. [2] Daarbij is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. [3] Daarnaast is het niet noodzakelijk dat de deelnemer op de hoogte is van de concrete strafbare feiten die door de organisatie worden gepleegd; het is voldoende dat vaststaat dat hij algemene wetenschap had dat het oogmerk van de organisatie het plegen van misdrijven is. [4] Als door de deelnemer in de context van de organisatie zelf misdrijven worden gepleegd, wordt aan dat opzetvereiste doorgaans voldaan. [5]
10. De kern van het middel richt zich zoals gezegd tegen het oordeel dat de verdachte deel uitmaakt van een criminele organisatie die, naast de verdachte zelf, wordt gevormd door zijn twee broers en een neef. In cassatie wordt niet betwist dat de verdachte direct betrokken was bij de hennepkwekerijen aan [b-straat 1] te Westervoort en [c-straat 1] te Duiven. Wat wel wordt bestreden is (de motivering van) ’s hofs antwoord op de vraag waaruit het voor de criminele organisatie noodzakelijke samenwerkingsverband wordt afgeleid. De steller van het middel stelt ter discussie of het hof wel voldoende van de familieband heeft geabstraheerd: uit de omstandigheid dat zowel de verdachte zelf als de familie van de verdachte er criminele praktijken op nahouden, moet niet al te gemakkelijk worden afgeleid dat de afzonderlijke criminele handelingen het resultaat zijn van een – zich over de familieleden uitstrekkend – samenwerkingsverband. Niets staat aan de mogelijkheid in de weg dat de criminele activiteiten door de familieleden afzonderlijk werden gepleegd en dat de bloedband het enige is wat hen bindt, nu uit de bewijsmiddelen niet, of op te geringe wijze blijkt van de betrokkenheid van één of meer andere leden van de organisatie bij de kwekerijen van de verdachte (of andersom, dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich met de kwekerijen van hen heeft bemoeid) – aldus parafraseer ik de steller van het middel.
11. Voordat ik uitgebreider inga op de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, eerst het volgende met betrekking tot een (onder 6.3 in de schriftuur) enigszins terloops opgemerkt punt. In de thans voorliggende zaak hanteert het hof voor elk van de verdachten een grotendeels gelijkluidende bewijsmotivering ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie. Het hof acht kennelijk tekenend voor de organisatie en het samenwerkingsverband dat de verdachte en zijn medeverdachten de panden waarin de kwekerijen gevestigd waren huurden en verhuurden en dat zij elkaar hielpen door soms voor elkaar de huur te betalen. Hoewel vaststaat dat de verdachte de huur van zijn eigen panden heeft betaald, begrijp ik het in de schriftuur ingenomen standpunt dat het ‘overnemen’van huurbetalingen ten aanzien van de verdachte niet is vastgesteld. Voor zover de klacht zich daartegen keert, berust het op een verkeerde lezing van het arrest, omdat de bewijsoverweging kennelijk niet bedoeld was als opsomming van het handelen van de verdachte. Dat in de algemene bewijsmotivering overwegingen voorkomen die niet direct verband houden met de concrete gedragingen van de verdachte, maar die wel inzichtelijk maken op welke gronden er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband heeft bestaan, hoeft niet af te doen aan het bewijs van zijn deelneming aan de organisatie.
12. Terug naar de kern van het middel. Een concrete uitwerking van de structuur van de organisatie ligt naar mijn mening besloten in de vaststellingen van het hof dat de “[v]erdachten in wisselende samenstelling verantwoordelijk waren voor de exploitatie van hennepkwekerijen”en “dat is gebleken dat verdachte en de medeverdachten in verschillende samenstellingen bij de verschillende hennepkwekerijen in beeld zijn”. Kenmerkend voor de (duurzaamheid van de) organisatie is dus, zoals het hof verderop opmerkt, dat “[deze personen] gedurende langere tijd structureel ieder een eigen rol dan wel taak binnen de hennepkwekerijen [vervulden]”.De belangrijkste taak die voor de verdachte was weggelegd, was klaarblijkelijk (zoals uit de bewezenverklaring van het tweede feit volgt) de verantwoordelijkheid voor de hennepkwekerijen gelegen aan [b-straat 1] en [c-straat 1] .
13. Voor zover in het middel de opvatting besloten ligt dat de betrokkenheid van de verdachte ook moet blijken ten aanzien van de overige door de organisatie gepleegde strafbare feiten, miskent de steller van het middel het onder randnummer 9 beschreven juridische kader. Algemene wetenschap is voldoende. Niet alleen pleegt hij als verantwoordelijke voor de kwekerijen aan [b-straat 1] en [c-straat 1] zelf misdrijven, ook is (de auto van) de verdachte gesignaleerd bij de kwekerijen aan de [i-straat 1] te Westervoort en het [a-straat 1] te Arnhem. [6] Andersom worden (de auto’s van) de medeverdachten bij [c-straat] en De [b-straat] gezien. [7] Ook door de verdachte zelf wordt de algemene wetenschap omtrent de overige hennepkwekerijen niet ter discussie gesteld: ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij wist dat [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zich eveneens bezighielden met hennep. [8] Gezien de pleitnota heeft de advocaat bovendien gesteld dat er onderling ervaringen werden uitgewisseld. [9]
14. De grondslag voor het oordeel dat de kwekerijen en personen ook een zekere eenheid vormen los van de familierelatie, vindt het hof kennelijk zowel in de omstandigheid dat de verdachten ook in beeld komen bij kwekerijen waarvoor zij niet de primaire verantwoordelijkheid dragen als in de hulp die zij elkaar boden. Zo wijst het hof erop dat de verdachten elkaars auto’s leenden en daarmee al dan niet gezamenlijk reden tussen de verschillende panden en naar de groothandel waar aan hennep gerelateerde goederen werden gekocht. [10] Het in de schriftuur naar voren gebrachte standpunt dat de verdachte slechts eenmaal zijn auto zou hebben uitgeleend, mist gezien de gebezigde bewijsmiddelen feitelijke grondslag. [11] Behulpzaamheid over en weer lijkt het hof bovendien af te leiden uit de door de verdachte en [betrokkene 2] gedeelde kosten van de aan hennep gerelateerde goederen en de in de aanvulling bij het arrest als bewijsmiddel opgenomen verklaring van de verdachte dat hij [betrokkene 2] heeft gevraagd schoon te maken op [b-straat 1] . [12] Tegen deze achtergrond heeft het hof voldoende inzichtelijk gemaakt via welke weg het tot het oordeel is gekomen dat het contact tussen de verdachte en zijn medeverdachten (ook) plaatsvond in verband met het in stand houden van een criminele organisatie en zich niet beperkte tot een slechts familiaire verstandhouding.
15. Het eerste middel faalt.
16. Het tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
17. Het middel klaagt hierover terecht. Namens de verdachte is op 25 mei 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken met onder meer de aanvulling op het verkorte arrest zijn op 10 april 2019 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt met zich dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met afgerond drie maanden is overschreden. De overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afhandeling in cassatie. De Hoge Raad kan de straf verminderen in de mate die hem goeddunkt.
18. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
5.A.N. Kesteloo, ‘Het bijzondere opzetvereiste bij deelneming aan een criminele organisatie: wetenschap (in de zin van onvoorwaardelijk opzet)’,
6.Het pand aan [a-straat 1] was op dat moment niet als woning ingericht. Zie de aanvulling bij het arrest in de zaak van [betrokkene 1] onder 12, 32, 33 en 38.
7.Zie de aanvulling bij het arrest in de zaak van [verdachte] onder 25 en 27, de aanvulling bij het arrest in de zaak [betrokkene 2] , p. 4 en 5, en de aanvulling bij het arrest in de zaak van [betrokkene 1] onder 14.
8.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2018, p. 3.
9.Pleitnota (p. 2) in hoger beroep zoals naar voren gebracht ter terechtzitting van 20 april 2018.
10.Zie met betrekking tot de verdachte de aanvulling bij het arrest in de zaak van [verdachte] onder 23 en de aanvulling bij het arrest in de zaak van [betrokkene 2] , p. 3.
11.Zowel [betrokkene 1] is in de auto gesignaleerd (aanvulling bij het arrest in de zaak van [betrokkene 1] onder 12) als [betrokkene 2] (aanvulling bij het arrest in de zaak van [betrokkene 1] onder 14).
12.Aanvulling bij het arrest van [verdachte] , onder 32.