ECLI:NL:PHR:2020:304

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
30 maart 2020
Zaaknummer
18/02519
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 2 Opiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Verdachte stelde cassatieberoep in, maar heeft geen schriftelijke middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn ingediend bij de Hoge Raad.

Volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan verdachte hierdoor niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De procureur-generaal concludeert dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.

Er is sprake van samenhang met andere zaken waarin ook conclusies zijn gegeven. De uitspraak betreft de formele afwijzing van het cassatieberoep en bevestigt de strafoplegging door het hof zonder inhoudelijke behandeling van de middelen.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/02519
Zitting11 februari 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 23 mei 2018 de verdachte wegens 1.
“deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2.
“medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”en 3.
“witwassen, meermalen gepleegd”, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dit was gericht tegen enkele deelvrijspraken en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/02351, 18/02352, 18/02452, 18/02973, 18/02977 en 19/02150. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG