Conclusie
1.Feiten en procesverloop
lijdt of heeft geleden aan aandoeningen, ziekten en/of gebreken (…)”: “
de ziekte van Lyme”. Daarover heeft hij voorts gemeld dat hij tot en met oktober 2006 daarvoor onder behandeling heeft gestaan van de huisarts en dat hem daarvoor antibiotica zijn voorgeschreven.
Waaruit bestaan de klachten”, geantwoord: “
vermoeidheid/pijn hele lichaam/misselijkheid/migraine/spierklachten”.
naar de stand van zaken met betrekking tot het verzoek dat verzekerde 100% arbeidsongeschikt is”.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
zelfreden voor enige wijziging van standpunt bij Delta Lloyd mochten zijn. Beide veronderstellingen zijn mijns inziens onjuist. Het onderdeel ziet er met die eerste veronderstelling aan voorbij dat in het oordeel van het hof, kennelijk en niet onbegrijpelijk, besloten ligt (“
is het hof van oordeel dat het Delta Lloyd onder de gegeven omstandigheden vrijstond omop basis van de aanvullende informatie en het daardoor ingegeven nader onderzoekhaar aanvankelijk standpunt te herzien”in rov. 3.4; vergelijk hier ook rov. 3.8) dat er bij de beoordeling van de klachten van [eiser] door Delta Lloyd wel degelijk een zekere relevante ontwikkeling – voortschrijdend althans gewijzigd inzicht – is geweest op grond van nader onderzoek en nadere specialistenberichten. Op basis van de eerdere arts- en/of specialistenberichten – althans na een initieel (voorlopig) oordeel van de medisch adviseur van Delta Lloyd dat er geen sprake was van een objectief vast te stellen stoornis – bestond namelijk nog een gerede overtuiging dat deze klachten hun oorzaak vonden in een nog actieve of persisterende ziekte van Lyme, maar latere specialistenbeoordelingen hebben voor Delta Lloyd duidelijk gemaakt dat de klachten van [eiser] niet konden worden toegeschreven aan een nog actieve of persisterende ziekte van Lyme, althans dat dit onwaarschijnlijk was en daarvoor ook onvoldoende aanwijzingen bestonden.
A-G] uit de gevolgen van de ziekte van Lyme.
kanzijn van persisterende ziekte van Lyme – op basis van een sterk positieve Borrelia IgG geen onderscheid gemaakt kan worden tussen een persisterende infectie dan wel een oude genezen infectie (terwijl de huisarts eerder onomwonden had gerapporteerd dat de klachten voortkwamen uit de gevolgen van de ziekte van Lyme en dat de specialist Infectieziekten stelde dat de gewrichtsklachten samenhingen met een veel eerder doorgemaakte infectie van de ziekte van Lyme). In het oordeel van het hof ligt besloten dat niet alleen de in het onderdeel bedoelde twee specialistenbrieven zelf tot een eventuele herbeoordeling van de dekkingsbeslissing konden leiden, maar dat deze brieven ook voldoende aanleiding konden vormen voor het doen van nader onderzoek, waarvan de resultaten eveneens konden worden betrokken in een eventuele herbeoordeling. Dat hierbij enig tijdsverloop zou optreden alvorens Delta Lloyd een nieuw standpunt zou innemen, komt mij als haast onvermijdelijk voor. De in het onderdeel genoemde tien maanden, lijken me niet zonder meer in de weg te hoeven staan aan de standpuntwijziging van Delta Lloyd. Dit gebeurde overigens nadat per 1 januari 2011 de aanvankelijk volledige uitkering ook nog werd verlaagd naar 65-80% en op 10 juni 2011 door [eiser] verzekeringsadviseur een toenameclaim was ingediend (op basis van 100% arbeidsongeschiktheid), waarvoor (eveneens) onderzoek is verricht dat voor de medisch adviseur van Delta Lloyd uiteindelijk aanleiding was (om nader te overwegen) om (in het geheel) geen arbeidsongeschiktheid te erkennen en voor te stellen een nader onderzoek te laten verrichten bij een internist infectioloog (zie hierboven onder 1.1 sub (viii)-(xi)).
Er is”, zo constateert hij in zijn brief van 8 januari 2013, “
sprake van een sterk positieve Borrelia IgG (antistoffen) dit kan echter geen onderscheid maken tussen een persisterende infectie dan wel een oude genezen infectie. Ik vond geen aanwijzingen voor een andere somatische oorzaak.” Daartegenover staat dat internist-infectioloog [betrokkene 1] in zijn medische rapportage die op verzoek van Delta Lloyd op 9 november 2011 tot stand is gekomen, verklaart dat er geen objectieve aanwijzingen zijn voor de ziekte van Lyme. “
Met name is er geen sprake van (myo-)carditis of atrioventrixculaire geleidingsstoornissen, geen objectieve neurologische stoornissen, normale bevindingen in de liquor cerebrospinalis (geen Borrelia antistoffen, negatieve Borrelia PCR), normale EEG en MRI, geen objectiveerbare artritis (niet bij klinisch lichamelijk onderzoek door reumatoloog en niet bij beeldvormend onderzoek)”, zo rapporteert [betrokkene 1]. “
De enige positieve bevinding is een positieve Elisa en Blot voor IgG antistoffen tegen Borrelia dit betekent dat betrokkene ooit is besmet door Borrelia maar zeker niet dat hij de ziekte van Lyme heeft.” Naar aanleiding van een in opdracht van Delta Lloyd verricht onderzoek bij [eiser] heeft internist-infectioloog i.o. [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) in zijn rapportage d.d. 23 november 2012 mede namens internist-infectioloog dr. M. van Vugt opgemerkt dat met de antistoffen tegen Borrelia niet wordt gedifferentieerd tussen een doorgemaakte of actieve ziekte van Lyme. Voorts wordt hierin het volgende overwogen: “
Gezien de weinig specifieke klachten, de eerdere antibiotische behandelingen, een negatieve lumbaalfunctie[lumbaalpunctie,
A-G]
elders is het onwaarschijnlijk dat er sprake is van actieve ziekte van Lyme (een persisterende Borrelia infectie)”. Op basis van deze medische rapportages heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat objectief medisch vaststaat dat de beperkingen van [eiser] hun oorzaak vinden in een ziekte van Lyme. In hoger beroep heeft [eiser] ter onderbouwing van zijn stellingen twee brieven d.d. 8 mei 2017 respectievelijk 15 september 2017 overgelegd van een arts van de Oosteinde Walborg Kliniek, Centrum voor preventieve en curatieve geneeskunde, [betrokkene 6] (hierna [betrokkene 6]). Daarin concludeert [betrokkene 6] met zoveel woorden dat bij [eiser] de diagnose chronische ziekte van Lyme behoort te worden gesteld.
op basis van het totaal aan gegevens: de klachten en het onderzoek", niet nader ingevuld, toegelicht of onderbouwd aan de hand van medische literatuur of de CBO-richtlijn Lymeziekte uit juli 2013.
[eiser] heeft zich evenmin concreet beroepen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat zijn klachten in relatie staan tot een objectief medisch te diagnosticeren persisterende ziekte van Lyme. Dit betekent dat [eiser] de hierboven aangehaalde conclusies van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] niet heeft weten te weerleggen.Zijn verwijzing naar de stelling van [betrokkene 6] dat de klachten van [eiser] in hun brede samenstelling een uitstekende illustratie zijn van de klachten die chronische Lymepatiënten ondervinden en een beeld schetsen van persisterende ziekte van Lyme, is daartoe onvoldoende. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat bij hem sprake is van de aandoening CVS/ME met bijbehorende beperkingen als een andere toereikende medische grondslag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, overweegt het hof dat [eiser] heeft nagelaten de door hem overgelegde medische stukken die deze conclusie zouden kunnen dragen, toe te lichten. De in het geding gebrachte stukken en brieven uit de behandelende sector bieden zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen voldoende feitelijke onderbouwing van de stelling dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval en daarmee van een door de polis gedekte arbeidsongeschiktheid.” (onderstrepingen toegevoegd,
A-G)
subonderdeel Adat deze onderstreepte overwegingen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. Volgens het subonderdeel heeft het hof in rov. 3.8 klaarblijkelijk, in navolging van de rechtbank, geoordeeld dat uit de medische verklaringen van [betrokkene 2] niet kan worden afgeleid dat objectief kan worden vastgesteld dat de klachten van [eiser] hun oorzaak vinden in een infectie met de ziekte van Lyme.
Primairstelt het subonderdeel dat het er niet om ging te bepalen of alsnog objectief kon worden vastgesteld dat de klachten van [eiser] hun oorzaak vinden in een infectie met de ziekte van Lyme. Waar het wel om ging is te bepalen of uit de na de erkenning door Delta Lloyd door “de specialist” aan te reiken informatie een andere, voor [eiser] ongunstiger diagnose zou moeten blijken ten opzichte van de diagnose die voor Delta Lloyd aanleiding was de aanspraak van [eiser] te erkennen, omdat het Delta Lloyd, volgens haar eigen bewoordingen, alleen dan vrij zou hebben gestaan op haar erkenning terug te komen.
Subsidiairwordt geklaagd dat het hof, gelet op art. 24 Rv Pro., (meer) aandacht had moeten besteden aan de door [eiser] met vermelding van relevante vindplaatsen genoemde medische berichtgeving van andere deskundigen. [23] Het betreft hier bevindingen en conclusies van [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10]. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat de verklaringen van deze deskundigen (in de kern) voldoende eenduidig en onderling consistent zijn, elkaar (en de bevindingen van [betrokkene 2] en de huisarts) op onderdelen aanvullen en er op wijzen dat [eiser] al vele jaren gekampt heeft met chronische/persisterende Lyme(klachten). Indien het hof heeft geoordeeld dat deze stellingen van [eiser] niet van (doorslaggevend) belang waren in de zin van art. 24 Rv Pro., heeft het zich onvoldoende gerealiseerd dat de stellingen zien op de kern van het debat en/of dit oordeel ten onrechte niet in zijn arrest opgenomen.
primaireklacht van subonderdeel A kan niet slagen, omdat het een herhaling vormt van klachten die hierboven in onderdeel 1 al aan de orde kwamen. Als de stap eenmaal is gezet tot het oordeel dat het Delta Lloyd vrijstond om haar aanvankelijk standpunt te herzien – zoals het hof in rov. 3.4 heeft gedaan en zoals mijns inziens stand kan houden – dan is wel degelijk (alleen nog) de vraag aan de orde of de klachten van [eiser] onder de dekking van de verzekering vallen, en daarvoor is vereist – zo oordeelt het hof in rov. 3.7, in cassatie onbestreden – dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval (conform de verzekeringsvoorwaarden; eerste volzin rov. 3.7) en dat betekent dat ten minste sprake moet zijn van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld (zesde en laatste volzin rov. 3.7). De stap of kon worden teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt van Delta Lloyd, en of (daarbij van belang is dat) er sprake is van een wel of niet ongunstiger diagnose, is dan dus al in rov. 3.4 meegenomen.
het meest waarschijnlijk lijkt” dat er persisterende Lyme-klachten zijn (verklaring [betrokkene 9] [25] ). Eenmaal wordt ook – overigens zonder enige onderbouwing daarvan, los van een lijst van klachten en onderzoeksuitslagen – geconcludeerd dat sprake is van een chronische ziekte van Lyme (verklaring [betrokkene 8] [26] ) of niet meer vermeld dan “
bij ons onder behandeling Lyme Expertise Centrum met chronische Borreliose en Bartonella en bijkomende factoren” (verklaring [betrokkene 10] [27] ). Dit alles moet echter ook gezien worden in het licht van het feit dat door onder meer de internist-infectiologen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] wordt gesteld dat een positieve uitslag op antistoffen tegen Borrelia (zeker) niet betekent dat iemand een actieve of persisterende ziekte van Lyme heeft (zoals ook bevestigd werd in de hierboven onder 2.4 geciteerde verklaring van [betrokkene 2]), maar, aldus [betrokkene 3], dat dat in dit geval zelfs onwaarschijnlijk is gezien onder meer de weinig specifieke klachten, de eerdere antibiotische behandelingen en een negatieve lumbaalpunctie elders (zie hiervoor rov. 3.8). Het oordeel van het hof is daarmee niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd omdat het niet nader op alle overgelegde medische verklaringen is ingegaan.
subonderdeel Bwordt geklaagd over de overwegingen uit rov. 3.8 waarin de medische rapportages van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] tegen de door [eiser] overgelegde medische verklaringen worden gesteld en wordt geconcludeerd dat de rechtbank op basis van deze medische rapportages terecht heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat objectief medisch vaststaat dat de beperkingen van [eiser] hun oorzaak vinden in een ziekte van Lyme. Het subonderdeel voert aan dat deze overwegingen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. [eiser] heeft namelijk kritiek geleverd op genoemde twee medici en gemotiveerd aangevoerd dat de vraagstellingen van Delta Lloyd aan hen onjuist zijn geweest, wat de resultaten/rapporten onbruikbaar en ondeugdelijk maakt. Voorts heeft een onderzoek aan de hand van uitvoerige, door [eiser] in te vullen vragenlijsten (goeddeels) ontbroken. [28] Het hof heeft aan deze kritiek geen overweging gewijd, hetgeen onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
subonderdeel Cwordt ten slotte geklaagd over de overwegingen van het hof in het slot van rov. 3.8 dat – voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat bij hem sprake is van de aandoening CVS/ME met bijbehorende beperkingen als een andere toereikende medische grondslag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering – hij heeft nagelaten de door hem overgelegde medische stukken die deze conclusie zouden kunnen dragen, toe te lichten en dat de in het geding gebrachte stukken en brieven uit de behandelende sector zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen voldoende feitelijke onderbouwing bieden van de stelling dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval en daarmee van een door de polis gedekte arbeidsongeschiktheid. Het subonderdeel voert aan dat deze overwegingen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. Het verwijst naar een door [eiser] overgelegde brief van [betrokkene 6] [31] (hierna: [betrokkene 6]) van mei 2017 waarnaar ook in hoger beroep werd verwezen. [32] Daar is volgens het subonderdeel gesteld dat [betrokkene 6] in deze brief beschrijft dat [eiser] sinds eind juli 2016 in behandeling is voor persisterende en recidiverende klachten van de ziekte van Lyme en voor andere (daarmee gepaard gaande c.q. zelfstandige) chronische aandoeningen die (mede) in zijn praktijk bij hem zijn gediagnosticeerd: Chronisch Vermoeidheid Syndroom en Myalgische Encephalitis (CVS/ME), Chronisch Pijn Syndroom en chronische migraine. Ook uit een in een later stadium nog overgelegde brief van arts I.V. de Jong (hierna: De Jong) zou blijken dat de diagnose CVS/ME bij [eiser] is gesteld.
De klachten van patiënt passen bij de diagnose CVS volgens de Fukuda criteria (...), bij ME volgens de Canadese criteria (…) en bij de diagnose ME of Systemic Exercise Intolerance Disease (SEID) volgens de Institute of Medicine of the National Academies 2015 criteria (…).” Verder worden – op grond van de (overige) resultaten van onderzoek – in de brief geen diagnoses gesteld.