Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt in de kern dat het oordeel van het hof dat voor toepassing van artikel 36e lid 3 Sr de betrokkene moet zijn veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie
kan worden opgelegdgetuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Nu de betrokkene niet is veroordeeld voor een misdrijf dat
naar de wettelijke omschrijvingwordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, is het wederrechtelijk verkregen voordeel op een ontoereikende grondslag geschat.
2.
te telen, te bereiden, te bewerken,
te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
aanwezig te hebben;
vierde categorie.
een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vijfde categorieopgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.
vierde categorie.
is vereist dat de betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijfdat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie(…)”.
aan de voorwaarde van artikel 36e, derde lid Sr in deze zaak is voldaan doordat de veroordeelde is veroordeeld wegens een misdrijfwaarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.”
waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:
kan worden opgelegd. Met ingang van 1 juli 2011 is deze bepaling aangepast en luidt die voorwaarde voor toepassing van artikel 36e lid 3 Sr dat de betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf dat
naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigdmet een geldboete van de vijfde categorie.
Zoals ik hierboven in deze nota reeds heb aangegeven, beogen deze voorwaarden te waarborgen dat het bewijsvermoeden slechts toepassing kan vinden ten aanzien van personen die er een criminele levensstijl op nahouden. Daarvan kan sprake zijn wanneer aan de ontnemingsvordering een potentieel lucratief misdrijf ten grondslag ligt en aannemelijk is dat de veroordeelde ook eerder van strafbare feiten financieel heeft geprofiteerd. Het voorstel houdt in dat de toepassing van het bewijsvermoeden gerechtvaardigd is als aan beide voorwaarden is voldaan. In navolging van het bestaande artikel 36e Sr is voor de formulering van het vereiste dat het moet gaan om lucratieve, ernstige criminaliteit gekozen voor een verwijzing naar de geldboetecategorieën in de strafbepalingen. Daarbij betreft het de strafbare feiten die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Dit omvat overigens mede, zo kan ik deze leden verduidelijken, de feiten waarop een geldboete van de zesde categorie is gesteld. Het bewijsvermoeden wordt gehanteerd na een veroordeling voor potentieel lucratieve feiten, zoals de internationale handel in harddrugs en mensenhandel. Ook misdrijven die worden bedreigd met relatief korte vrijheidsstraffen, maar waarvoor wel een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen aanleiding vormen het bewijsvermoeden toe te passen. Deze leden kunnen daarbij bijvoorbeeld denken aan delicten die verband houden met schending van intellectuele eigendomsrechten (namaak en piraterij; artikel 337 Sr Pro) of de benadeling van schuldeisers (artikel 340 Sr Pro).
kan worden opgelegd. [6] Aan de laatste eis is voldaan indien bijzondere bepalingen een ophoging van de vierde naar de vijfde geldboetecategorie toelaten. En dat laat de huidige formulering nou juist níet toe. “
Het toepassingsvereiste dat degene tegen wie de vordering zich richt is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, sluit de invloed van bijzondere strafverhogende omstandigheden, zoals vervat in artikel 23, zevende lid, Sr, en artikel 6, eerste lid, onderdeel 4 WED, uit”, aldus luidt de enige wetshistorische toelichting op de redactionele wijziging in de toepassingsvoorwaarde van artikel 36e lid 3 Sr. [7]
wettelijke omschrijvingvan het misdrijf ertoe leidt dat wordt geabstraheerd van strafverhogende omstandigheden, zoals neergelegd in artikel 23 lid 7 en Pro 8 Sr, artikel 6 lid 1 WED Pro en artikel 12 Opiumwet Pro. Een misdrijf dat bedreigd wordt met een geldboete van de vierde categorie valt nu dus buiten de reikwijdte van artikel 36e lid 3 Sr, omdat het niet meer langs de weg van deze bepalingen kan worden ‘opgewaardeerd’ tot een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, aldus (bijvoorbeeld) Hofstee. [8]
een grote hoeveelheidhennep. Een geldboete van de vijfde categorie
kanin dat geval wél worden opgelegd; de wettelijke grondslag daarvoor is gelegen in artikel 11 lid 5 Opiumwet Pro in verbinding met artikel 1 lid 2 Opiumwetbesluit Pro. [9] Van dit voornemen blijkt desondanks niet: het hof heeft in de hoofdzaak (waarin geen cassatieberoep is ingesteld) het onderdeel “
een groot aantal hennepplanten” in de bewezenverklaring uitgestreept en heeft evenmin in de kwalificatie opgenomen de zinssnede “
terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel”. [10]
kan worden opgelegd, getuigt dat oordeel (tevens) van een onjuiste rechtsopvatting. Dat criterium sluit aan bij het inmiddels vervallen artikel 36e lid 3 (oud) Sr dat gezien de bewezenverklaarde periode niet van toepassing is in de voorliggende zaak. Ik voeg daaraan toe dat ook indien deze (m.i. verouderde) voorwaarde in deze zaak wél als geldend recht zou moeten worden aangemerkt, de toepassing daarvan in deze zaak eveneens problematisch is.