Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen I en IV. De
onderdelen II, III en VIklagen ten aanzien van verschillende door het hof beoordeelde aspecten dat het hof heeft verzuimd het Nederlandse recht richtlijnconform uit te leggen en toe te passen.
Onderdeel Vklaagt over het oordeel dat er geen verplichting was te informeren over de exacte hoogte van de restschuld en de maandlasten na 2038.
Onderdeel VIIbevat een veegklacht.
ten eerste, dat deze overwegingen miskennen dat de naleving van de bijzondere zorgplicht niet kan worden vastgesteld aan de hand van de toelichting op de GHF, omdat de bijzondere zorgplicht wordt ingevuld door de civielrechtelijke zorgplicht om te waken tegen overkreditering en de publiekrechtelijke normen volgens en krachtens art. 4:34 Wft Pro, althans zijn deze overwegingen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd (procesinleiding
nrs. 29 en 30).
nr. 31). Het hof heeft beoordeeld of, zoals [eiser] had aangevoerd, Rabobank jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld dan wel toerekenbaar is tekortgeschoten en niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam financieel adviseur (rov. 1). [10] Aan die verwijten heeft [eiser] in het bijzonder ten grondslag gelegd dat Rabobank is tekortgeschoten in de verplichtingen die op haar rusten volgens art. 4:34 Wft Pro, [11] art. 113 en Pro/of 115 BGfo [12] en art. 6 GHF Pro. [13] Het hof heeft oog gehad voor deze bepalingen van de Wft (rov. 3.5), het BGfo (zie rov. 3.7 en 3.10) en de GHF (rov. 3.6 en 3.8). Dat het hof oog heeft gehad voor deze bepalingen ligt niet alleen in het algemeen voor de hand (zie hiervoor in 2.4), maar in dit geval des te meer gezien de grondslag van de vorderingen.
nr. 32opmerkt) brengt mee dat indien aan de normen van de GHF is voldaan, in beginsel ook is voldaan aan art. 4:34 Wft Pro en art. 115 BGfo Pro. Hetzelfde geldt voor de civielrechtelijke bijzondere zorgplicht. Het voorgaande staat er uiteraard niet aan in de weg dat er in een bepaald geval redenen kunnen zijn om te oordelen dat niet is voldaan aan de zorgplicht, ook als wel is voldaan aan art. 4:34 Wft Pro, art. 115 BGfo Pro en/of de GHF. Maar daarvoor zag het hof in dit geval kennelijk, en niet onbegrijpelijk, geen aanleiding gezien de stellingen van [eiser].
ten tweede, dat het hof met deze overwegingen miskent dat art. 4:34 Wft Pro niet toestaat dat een kredietgever enkel informatie inwint over inkomsten, maar ook inzicht moet hebben in kosten en vaste uitgaven van de consument, althans dat het oordeel op dit onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd (procesinleiding
nrs. 29 en 30).
nrs. 36-38). [20]
nrs. 39-40). Wat betreft de pensioenpremie en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, heeft het hof geoordeeld dat [eiser] zijn stellingen nader had dienen toe te lichten gezien het verweer van Rabobank (rov. 3.6, derde alinea). Bovendien is het hof ervan uitgegaan dat [eiser] niet heeft gereageerd op een vraag van Rabobank of sprake was van bijzondere kosten waarmee rekening diende te worden gehouden (rov. 3.6, vierde alinea). [21]
41-42). Het hof heeft in rov. 3.7 voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom Rabobank voldoende onderzoek heeft gedaan.
nr. 43), faalt het naar mijn mening eveneens. Het hof heeft immers in rov. 3.7 overwogen dat Rabobank het bruto-winstaandeel als zijnde de leencapaciteit van [eiser] heeft vastgesteld op grond van de jaarcijfers 2006 en 2007, de verklaring van [eiser] dat het bedrag van € 227.000 in 2006 te laag was (wat het hof onderschrijft nu dit zijns inziens gezien het maatschapscontract € 284.785 diende te zijn), en de vooruitzichten van de niet-conjunctuurgevoelige praktijk van [eiser].
nr. 43, slot), is het hof niet op basis van deze laatste overweging gekomen tot zijn oordeel dat Rabobank mocht uitgaan van een inkomen van € 260.000.
Onderdeel IVricht zich tegen de verwerping in rov. 3.10 van het verweer van [eiser] dat Rabobank art. 115 lid 1 BGfo Pro niet heeft nageleefd. Dit verweer gaat niet op volgens het hof, nu Rabobank blijkens de Aanvraag particuliere financieringen de GHF heeft gevolgd.
nrs. 67-68).
onderdelen II, III en VIklagen ten aanzien van verschillende door het hof beoordeelde aspecten dat het hof heeft verzuimd het Nederlandse recht richtlijnconform uit te leggen en toe te passen.
nrs. 45 en 50) en klaagt, samengevat, dat het hof miskent dat Rabobank zelfstandig onderzoek dient te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van consumenten en niet zonder meer mag uitgaan van de verklaring van de consument, althans dat het oordeel op dit punt onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is (procesinleiding
nrs. 46-47). Het onderdeel beroept zich in dit verband op art. 5 en Pro 8 Richtlijn consumentenkrediet, de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU over de Richtlijn consumentenkrediet [22] en in verband daarmee de verplichting van de Nederlandse rechter tot (ambtshalve) richtlijnconforme interpretatie van het Nederlandse recht (procesinleiding
nrs. 51-52).
nrs. 55-56). Hiertoe beroept het onderdeel zich op onderdeel 55 van de preambule van de Richtlijn hypothecair krediet (procesinleiding
nrs. 60-63) en op de verplichting het nationale recht richtlijnconform toe te passen (procesinleiding
nr. 64).
onderdeel VI, dat is gericht tegen rov. 3.6 tot en met 3.10 en 3.12, klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten het Nederlandse recht richtlijnconform toe te passen. Het onderdeel doelt op de Richtlijn consumentenkrediet en de Richtlijn hypothecair krediet.
onderdeel IIook niet op, omdat het onjuist noch onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.7 gewicht heeft toegekend aan verklaring van [eiser] jegens Rabobank dat het bedrag van € 227.000 in 2006 te laag was, nu Rabobank naar aanleiding van deze mededeling nader onderzoek heeft gedaan naar het inkomen van [eiser] op basis van de jaarcijfers 2007.
Onderdeel IIIgaat er verder aan voorbij dat Rabobank een interne Aanvraag financiering particulieren heeft opgesteld, waarbij zij is uitgegaan van 30 jaar annuïteit. [28]
onderdeel Vmiskent deze overweging dat op Rabobank geen algemene maar een bijzondere zorgplicht rust en dat de bijzondere zorgplicht Rabobank wel verplichtte tot het verstrekken en beoordelen van de exacte hoogte van de restschuld en maandlasten na 2038 in relatie tot een inkomensdaling na pensionering in 2033, althans is deze overweging onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd (procesinleiding
nrs. 74-75).
nrs. 78-79) volgt uit de omstandigheid dat sprake is van een complex product en een lening van € 1.490.000 waarop gedurende 30 jaar slechts beperkt zou worden afgelost, nog niet dat de bijzondere zorgplicht Rabobank in dit geval verplichtte tot het verstrekken en beoordelen van de exacte hoogte van de restschuld en maandlasten na 2038 in relatie tot een inkomensdaling na pensionering in 2033.