Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
De politierechtermerkt op:
Feiten
bewaarder van de hondmet verzoek aan de officier van justitie er zorg voor te dragen dat de hond met de kerstdagen al bij klaagster kan zijn.
Parket bij de Hoge Raad
Klaagster verzocht via een klaagschrift ex art. 552a Sv de opheffing van het beslag op haar hond en teruggave daarvan. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond en stelde klaagster aan als bewaarder van de hond. Het openbaar ministerie stelde cassatie in met het middel dat de rechtbank niet bevoegd was om een bewaarder aan te stellen bij een klaagschriftprocedure.
De zaak draaide om de vraag of de beklagrechter bevoegd is om bij de behandeling van een klaagschrift ex art. 552a Sv een bewaarder aan te stellen van het inbeslaggenomen goed. De wettelijke regeling (art. 116 en Pro 118 Sv) kent deze bevoegdheid toe aan het openbaar ministerie, niet aan de rechtbank. De Hoge Raad bevestigt dat de beklagrechter slechts kan oordelen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van het klaagschrift, niet over aanstelling van een bewaarder.
Echter, tijdens de raadkamerbehandeling stelde de beklagrechter voor om klaagster onder voorwaarden als bewaarder aan te stellen, met instemming van klaagster en het OM. Deze instemming wordt gezien als een aanwijzing door het OM ex art. 118 lid 2 Sv Pro, zodat de rechtbank niet zelf een bevoegdheid heeft geschonden door dit in haar beschikking te vermelden.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep faalt, omdat de rechtbank niet zelfstandig tot aanstelling van een bewaarder is gekomen, maar dat dit een gevolg is van een aanwijzing door het OM. Er zijn geen gronden voor vernietiging van de beschikking.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de rechtbank niet zelfstandig een bewaarder aanstelde maar dit een aanwijzing van het OM betrof.