ECLI:NL:PHR:2020:388

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
17 april 2020
Zaaknummer
20/00311
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:109 BWArt. 3:119 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executoriaal beslag op auto bij geschil over eigendom en motiveringsklachten

De zaak betreft executoriaal beslag op een personenauto die op naam van de schuldenaar stond, maar waarvan de schuldenaar stelde dat zijn moeder de eigenaar was. De Ambtenaar belast met invordering had beslag gelegd wegens onbetaalde gemeentelijke belastingen. De schuldenaar voerde verzet tegen het beslag en stelde dat de auto eigendom was van zijn moeder, die later overleed, waarna de broer de auto zou hebben geërfd.

De rechtbank Limburg verklaarde het verzet ongegrond en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bekrachtigde dit oordeel. Het hof baseerde zich op het kentekenbewijs, het feit dat de schuldenaar de feitelijke gebruiker was, en het ontbreken van voldoende bewijs voor de eigendomsoverdracht aan de moeder. De verklaring waarop de schuldenaar zich beriep, stelde slechts dat de auto was doorgegeven, zonder bewijs van schenking.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het bewijsaanbod van de schuldenaar heeft gepasseerd wegens onvoldoende feiten en omstandigheden. Ook de betaling van wegenbelasting en verzekering door de moeder was onvoldoende om eigendom of bezit aan te nemen. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a lid 1 RO, waarmee het beslagrecht van de Ambtenaar werd bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het beslag op de auto blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/00311
Zitting3 april 2020
CONCLUSIE
F.F. Langemeijer
In de zaak
[de schuldenaar]
tegen
de Ambtenaar van BsGW, belast met de invordering

1.Feiten en procesverloop

1.1
Ter zake van onbetaalde aanslagen gemeentelijke belastingen heeft de Ambtenaar, belast met de invordering (Belastingsamenwerking gemeenten en waterschappen), [1] dwangbevelen uitgevaardigd ten laste van eiser tot cassatie (hierna: de schuldenaar). Ter executie daarvan heeft de Ambtenaar op 19 december 2016 onder de schuldenaar beslag gelegd op een personenauto. Het kenteken van deze auto stond op naam van de schuldenaar.
1.2
De schuldenaar heeft verzet gedaan tegen de tenuitvoerlegging van deze dwangbevelen en opheffing van het executoriaal beslag gevorderd. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat niet hij, maar zijn moeder eigenaar is van deze auto. De Ambtenaar heeft dat betwist. De vordering van de Ambtenaar in reconventie blijft hier verder onbesproken.
1.3
Bij vonnis van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:1408) heeft de rechtbank Limburg in conventie het verzet van de schuldenaar ongegrond verklaard.
1.4
Op het hoger beroep van de schuldenaar heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 24 december 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:4667) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.5
Tegen dat arrest heeft de schuldenaar tijdig beroep in cassatie ingesteld.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Onderdeel I van het middel is gericht tegen rov. 3.4.6, waarin het hof de tweede grief verwierp. In die grief herhaalde de schuldenaar het standpunt dat niet hij, maar zijn moeder ten tijde van de beslaglegging eigenaar van de auto was. Volgens de schuldenaar zou, na het overlijden van zijn moeder in 2017, zijn broer de auto hebben geërfd.
2.2
Het oordeel van het hof berust op de volgende stappen:
a. uit de tenaamstelling van het kenteken volgt het vermoeden dat de schuldenaar eigenaar van de auto was ten tijde van de beslaglegging;
b. ook de omstandigheid dat de schuldenaar de feitelijke gebruiker is van de auto, die bij zijn huis staat, duidt erop dat hij de eigenaar is;
c. de schuldenaar heeft weliswaar aangevoerd dat zijn moeder eigenaar van de auto was, maar niet genoegzaam onderbouwd hoe zij eigenaar geworden is. In de verklaring van [betrokkene 1] gedateerd 29 december 2016, waarop de schuldenaar zich heeft beroepen, leest het hof niet méér dan dat deze de auto aan de moeder van de schuldenaar heeft doorgegeven (in de Duitse tekst: “weiter gegeben”). Over de beweerde schenking van de auto aan zijn moeder heeft de schuldenaar onvoldoende gesteld en ook in hoger beroep is dit onduidelijk gebleven. Op die grond passeerde het hof het bewijsaanbod van de schuldenaar.
2.3
Op grond van de tenaamstelling van het kenteken en het feit dat de schuldenaar de feitelijke gebruiker van de auto was kon het hof, gelet op de bewijsfunctie van bezit (art. 3:107 – 109 in verbinding met art. 3:119 lid 1 BW Pro), tot het vermoeden komen dat de schuldenaar ten tijde van het beslag de auto voor zichzelf hield. De bestanddelen a en b van de redengeving zijn in cassatie niet bestreden. Het onder c genoemde bestanddeel is in cassatie bestreden met verwijzing naar de in appel aangevoerde omstandigheid dat moeder de wegenbelasting en verzekeringspremie met betrekking tot deze auto heeft betaald. In de redenering van het hof (“onvoldoende gesteld”) wijst noch die gestelde betaling noch de verklaring van [betrokkene 1] eenduidig erop dat moeder eigenaar of zelfs maar bezitter van de auto is geweest. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde in dit geval geen nadere motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn. In eerste aanleg had de schuldenaar gesteld dat hij voor zijn toen 89-jarige moeder zorgde en de auto nodig had om heen en weer te reizen tussen zijn en haar woonplaats. [2] De moeder kan dus een andere reden hebben gehad om deze lasten in dat jaar voor haar rekening te nemen. Voor het antwoord op de vraag of de Ambtenaar op 19 december 2016 beslag mocht leggen behoefde het hof geen belang toe te kennen aan wat ná die datum tussen de erfgenamen is afgesproken bij de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van de schuldenaar.
2.4
Onderdeel I kan niet tot cassatie leiden. Volgens het hof heeft eiser m.b.t. de beweerde schenking van de auto aan zijn moeder onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot gegrondbevinding van grief 2 kunnen leiden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daaruit volgt dat onderdeel II, dat over het passeren van het bewijsaanbod klaagt, evenmin tot cassatie leidt.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.

Voetnoten

1.Zie art. 231 en Pro 232 Gemeentewet.
2.Inleidend verzetschrift onder 2.4.